Kort geding 11 januari 2001, 9.00 uur
Arrondissementsrechtbank Rotterdam


Schiedam, 10 januari 2001.

Ik wil voordat ik inga op de inhoud van de dagvaarding en het petitum eerst wat informatie geven over de tumultueuze situatie die is ontstaan. Een korte schets ter vermijding van misverstanden.

Eind 1994 is in het toenmalige bestuur van de Stichting Kinderopvang Honki Ponk besloten om het pedagogisch beleid op papier te zetten en werd aan de directrice Marja van Wolferen gevraagd om een beleidsstuk te schrijven waarin zij haar gedachten en uitgangspunten zou neerleggen die ten grondslag lagen aan haar werkzaamheden voor Honki Ponk in de voorafgaande ruim 20 jaar. Op 10 februari 1995 presenteerde zij aan het bestuur het door haar geschreven Pedagogisch Beleid. Zij heeft zich het auteursrecht op dit werk uitdrukkelijk voorbehouden.
Het toenmalige bestuur heeft in 1995 zich unaniem achter dit beleidsplan geschaard en vastgesteld dat het Pedagogisch Beleid inhield de beschrijving van het beleid dat tot dan toe werd gevoerd en de basis vormde voor het uitzetten van lijnen naar de toekomst. De directrice kreeg de taak en het budget om conform het beleidsstuk het personeel te begeleiden.

Ik breng dit zo naar voren omdat de indruk wordt gewekt dat er sprake is van een recente wijziging die onder mijn invloed zich zou hebben afgespeeld. Dat is niet zo.
In een eerder gevoerd kort geding waarin o.m. de Stichting als eiseres optrad, hebt u in het door u gewezen vonnis voorzichtig geopperd dat het er op leek dat trouw aan de leer op de achtergrond een rol meespeelde. Dat betrof toen het conflict tussen 3 ex-bestuursleden en de Stichting.

Trouw aan de leer speelt echter geen rol in het toenmalige conflict maar bekendheid met het pedagogisch beleid en de daarop gebaseerde wijze van werken.
Ook thans is het pedagogisch beleid de inzet van de geschillen. E wordt beweerd dat het pedagogisch beleid is veranderd en dat er invloed is uitgeoefend door de adviseur van de directrice op het pedagogisch beleid en de omgang met kinderen. Sterker nog, er leven allerlei angsten dat de kinderen niet goed worden opgevangen en dat er hun welzijn niet gegarandeerd is nu de heer De Kok als adviseur optreedt. Voor die angsten is geen enkele reden maar het blijkt dat men niet voor rede vatbaar is.

Ik wil daarom eerst iets dieper ingaan op het pedagogisch beleid van de Stichting, enkele korte citaten uit het Beleidsstuk geven en aan de hand daarvan ingaan op de verwijten die het Stichtingsbestuur worden gemaakt.

"Het pedagogisch beleid van Honki-Ponk verwoordt de visie, de opvoedingsdoelen, de pedagogische stroming en uitgangspunten en het klimaat van onze kinderopvang."
"Het pedagogisch werkplan verwoordt het pedagogisch handelen in de uitvoering van ons dagelijks werk. Daarin zijn lijnen uitgestippeld waarlangs wordt gepland en gewerkt."
"Door een eigen pedagogisch beleidsplan kan Honki-Ponk zich profileren. Het is een methode om het belang van onze kinderopvang te verduidelijken aan de buitenwacht en te onderscheiden van collega-instellingen. Met het pedagogisch beleid kunnen ouders een afgewogen keuze maken: net zo goed als ouders vaak kiezen voor een bepaalde basisschool, kunnen ze nu kiezen voor een bepaalde kinderopvang." (Inleiding pag. 1)

Vervolgens wordt in het beleidsstuk ingegaan op de gekozen pedagogische stromingen.
Dat zijn:
De pedagogische stroming van Rudolf Steiner.
De pedagogische stroming van Janusz Korczak.
De ontwikkelingspsychologie van Thomas Gordon.

Voor de praktijk van het werk betekent de keuze voor deze stromingen:
- dat de kinderen worden benaderd als unieke mensen die in ontwikkeling zijn; dat wordt aangesloten bij hun individuele ontwikkelingsproces met het doel dat kinderen zich leren te uiten en te ontwikkelen tot creatieve mensen; aan kinderen zal dan ook maar zelden een opdracht worden gegeven;
- dat het kind wordt geaccepteerd zoals het is en dat gekeken wordt wat het met een bepaald gedrag wil zeggen; dat het kind fouten moet kunnen maken zonder dat de volwassene ingrijpt en voor het kind beslist waarbij uitdrukkelijk gesteld werd dat de situatie en de leeftijd van het kind daaraan grenzen stelt evenals de inschatting van de leidster van de gevolgen van keuzes voor de kinderen en de omgeving;
- dat actief naar kinderen wordt geluisterd; dat ieder open staat voor het kind door te kijken en te luisteren naar wat het met zijn/haar gedrag en woorden wil zeggen zodat kan worden aangesloten bij zijn/haar ontwikkelingsbehoeften; dat kinderen de gelegenheid wordt geboden om zelf problemen op te lossen; dat volwassenen hun grenzen in de vorm van ik-boodschappen aangeven waardoor het kinderen mogelijk wordt gemaakt de grenzen te begrijpen.

Dit was sinds 1995 de basis van het pedagogisch beleid. Daarin is sindsdien niets veranderd. Er is vanaf 1995 gewerkt aan de verwezenlijking van dit pedagogisch beleid met instemming van het bestuur, van de leidsters ťn de oudercommissie.
Bij aanmelding krijgen en kregen alle ouders een exemplaar van het Pedagogisch Beleid. Ook alle werkneemsters en werknemers zijn in het bezit van een exemplaar.
De gemeente Schiedam is in het bezit van dit Pedagogisch Beleid.

Is er nu sprake van een "leer"?
Nee, er is sprake van een beleid dat door de Stichting wordt gevoerd en waar ouders en medewerkster/medewerkers voor gekozen hebben. Dat beleid is gestoeld op uitgangspunten; ik heb deze in grote lijnen aangegeven.

Het probleem met het bestuur was dat er in het bestuur geen betrokkenheid was bij de uitgangspunten van het pedagogisch beleid noch bij het pedagogisch beleid als zodanig. Dat had tot gevolg dat de uitvoering van de dagelijkse praktijk -immers het concretiseren van het pedagogisch beleid- steeds verder weg kwam te staan van het bestuur. Dat was de reden dat ik in het bestuur werd gevraagd. Het is u bekend hoe het daarna gegaan is. Ik zal daar niet verder op ingaan.

Wat is er nu aan de hand?

De directrice heeft zich laten adviseren bij de uitvoering van haar beleid door de heer De Kok.
Dat was tot tevredenheid van het personeel dat met deze adviezen te maken kreeg. Er kwam ruimte voor persoonlijke ontwikkeling en dat had direct positieve gevolgen voor de organisatie die wat personeelsbeleid en personeelsbegeleiding betreft op dood spoor was geraakt en dientengevolge een ziekteverzuim van ruim 20 % te zien gaf. Het gevolg was o.m. dat het ziekteverzuim tot 10 % terugliep. In het pedagogisch beleid was niets veranderd. Er waren geen klachten van ouders. Ouders aan wie door de pers gevraagd werd of zij een verandering hadden gemerkt in de omgang met kinderen gaven volmondig toe dat daar geen sprake van was.

In het kader van de organisatie-adviezen en het geven van uitvoering daaraan waren diverse gesprekken met personeelsleden gevoerd onder meer over problemen bij hun functioneren. Naar aanleiding van een van die gesprekken heeft een lid van de oudercommissie uit persoonlijke motieven actie ondernomen tegen de directrice en de heer De Kok. Zij heeft die actie uitgebreid tot de oudercommissie en de pers en daarna tot de ouders en het personeel. Het gevolg was een uitbarsting van agressie gericht tegen de Stichting waarbij het bestuur en de directrice de personifiŽring werden geacht van allerlei (on)benoemd kwaad. Dat heeft tot onverkwikkelijke tonelen geleid variŽrend van bedreigingen tot het bezetten van een van de vestigingen, het afsluiten van de toegang tot de hoofdvestiging met een kettingslot, het dichtsmeren van de sloten van de hoofdvestiging tot tweemaal toe met secondenlijm.
Van meet af aan werden gespreksmogelijkheden uitgesloten: ouders noch personeel wilden met betrokkenen praten. De enige "communicatievorm" was die van het stellen van eisen en het uiten van bedreigingen, beledigingen en uitlatingen via de pers. Ik heb u daar voorbeelden van toegestuurd in copie evenals van de persberichten die ik in mijn bezit heb. Dit geeft blijk van een hysterie die iedere redelijke vorm van contact vrijwel onmogelijk maakte en nog steeds maakt.

De rol van de betrokken wethouder van de gemeente Schiedam in het geheel was uiterst onverkwikkelijk. Hij communiceerde ook via de pers. Hij had nog voordat hij met het bestuur had gesproken zijn oordeel op de tv al klaar. De contacten die er op ambtelijk niveau waren, bleken opeens niet meer te bestaan en er werd in de bijeenkomst in december 2000 met de wethouder door hem van alles geÔnsinueerd maar niet openlijk gecommuniceerd ondanks het verzoek van ons daartoe. Het was duidelijk dat de wethouder partij had gekozen tegen het bestuur. Zijn eerste werk na de bijeenkomst met het bestuur in december 2000 was het informeren van de pers over een deel van de inhoud van het gesprek buiten medeweten en zonder toestemming van het bestuur.

In de dagvaarding wordt gesuggereerd dat er sprake zou zijn geweest van een vorm van redelijk overleg van de kant van eisers. Daar is geen sprake van geweest.

Gesteld wordt dat er sprake is geweest van essentiŽle toezeggingen die niet zijn nagekomen danwel ingetrokken. Wat met essentiŽle toezeggingen wordt bedoeld, is niet duidelijk. Er is geen vorm van overleg geweest.

Gesuggereerd wordt dat de intrekking van de schriftelijk gedane toezegging van de directrice om de heer De Kok niet als organisatie-adviseur van de directrice te laten optreden voor eisers zwaar weegt.
Het is juist dat de directrice, onder de toenemende druk van eisers-en het personeel, de mededeling heeft gedaan dat zij de heer De Kok niet als organisatie-adviseur meer bij de organisatie zou betrekken. Verwacht zou mogen worden dat dit tot een positieve reactie zou leiden. Niets was echter minder waar. In plaats van de eis dat de heer De Kok moest verdwijnen, kwam de eis dat de directrice en ik moesten verdwijnen. Een vervanging van slachtoffers, niet een andere stellingname van ouders en personeel. Ook hieruit bleek dat iedere rationaliteit zoek was en nog steeds is.
In dit licht bezien was het al dan niet aanblijven van de heer De Kok als organisatie-adviseur dus kennelijk niet bepalend voor de hysterie die er was ontstaan richting de Stichting.
Het is dan ook ongeloofwaardig dat het besluit van de directrice nadien om haar eerder gedane toezegging te herzien voor eisers een belangrijke rol speelde.

Er was reden om dat besluit te herzien. In de periode van zijn adviseursschap was het ziekteverzuim van 20 tot 10 % teruggelopen dankzij zijn organisatie-adviezen. Het plan was om de organisatie zodanig te veranderen op de wat langere termijn dat de vestigingen een groter mate van beleidsvrijheid en beleidsbepaling kregen en wel op een organische wijze hetgeen ten goede zou komen aan de begeleiding van de kinderen vanwege een te ontwikkelen grotere betrokkenheid van de medewerksters en medewerkers met als uitgangspunt de praktijk van het beleid en de organisatie die daar het gevolg van zou zijn. Dat was gebaseerd op adviezen van de heer De Kok.

Er is een verzoek gedaan door het bestuur aan de burgemeester om een gesprek met hem te hebben, uitgaande van de gedachte dat hij boven de partijen zou staan. Dat werd geweigerd. Van de kant van de gemeente werd een voorstel gedaan om een bemiddelaar te benoemen. Door het bestuur is daar op ingegaan. Wij schreven dat het, gezien de emoties en de onberedeneerde angsten, door ons uiterst moeilijk werd geacht om een onbevooroordeelde bemiddelaar te vinden. Er is door ons serieus ingegaan op het voorstel en er zijn essentiŽ1e vragen gesteld in antwoord op de vraag van de gemeente Schiedam. Op de gestelde vragen aan B & W is tot op heden geen antwoord gekomen. Verwezen zij naar een copie van de brief die aan deze pleitnota is gehecht.

Ik wil hierbij met nadruk stellen dat wij niet uit zijn op oorlog. Wij zoeken de strijd niet maar laten ons niet overlopen en verdedigen ons als wij aangevallen worden.

Inmiddels had een aantal van de eiseressen en eisers van ons gevorderd dat wij het bestuur zouden aanvullen met drie door hen genoemde personen. Zij stelden dat zij het recht hadden bindende voordrachten te doen voor het opvullen van de vacatures in het bestuur.
In de dagvaarding wordt verwezen naar de brief van 2 januari 2001 waaruit zou moeten blijken dat er sprake was van een verzoek. Het woord.verzoek komt inderdaad voor in die brief maar de strekking van de brief is die van een bevel.

Dit is typerend voor de gang van zaken: eisen en bevelen in combinatie met bedreigen in plaats van werkelijk overleg.

Wij zijn niet bereid ons bestuursleden te laten opdringen. Dat hebben wij ook in december 2000 aan de gemeente Schiedam geschreven naar aanleiding van een vraag in die richting van de wethouder.
Er worden ons drie personen opgedrongen waarvan op geen enkele manier gebleken is dat zij affiniteit hebben met de pedagogische uitgangspunten die voor de Stichting gelden. Er zijn geen "geloofsbrievenĒ aangeboden. Het is volstrekt onduidelijk of zij hun sporen hebben verdiend op het gebied van het Pedagogisch Beleid van de Stichting en zo ja welke. Zelfs een curriculum vitae is niet overlegd.
Het is niet meer en niet minder dan een dictaat: dit zijn ze en jullie hebben ze maar te accepteren.

Eťn bestuursconflict is al teveel van het goede geweest. Op meer bestuursconflicten zitten wij zeker niet te wachten.

Ik ben inmiddels bij de bespreking van het gestelde in het lichaam van de dagvaarding aangeland en zal daar mee verder gaan.

Gesteld wordt dat gedaagden niet bereid zijn gebleken om de in de dagvaarding genoemde personen "of andere, personen tot bestuursleden te benoemen". Het is juist dat wij niet bereid zijn om de heer Bos, de heer De Jong en mevrouw Roozenboom in het bestuur te benoemen. Het is echter niet juist dat wij niet bereid waren om andere personen in het bestuur te benoemen. Dat laatste is nooit onderdeel van de ďverzoekenĒ geweest. Sterker nog: de wethouder heeft ons gevraagd om geen wijzigingen in de bestuurssamenstelling aan te brengen tijdens onze bijeenkomst met hem op 18 december 2000. Wij hebben hem geschreven dat wij dat ďvooralsnog" niet van plan waren maar dat wij ons geen bestuursleden lieten opdringen.

Verwezen wordt naar de statuten van de stichting. Wijselijk wordt er geen artikel genoemd want geen van de artikelen uit de statuten geven wie dan ook van de eiseressen en eisers enige bevoegdheid om het bestuur te dwingen tot uitbreiding laat staan tot uitbreiding met door hen te bepalen personen.

Verwezen wordt naar het Reglement Oudercommissie. Ook dit reglement geeft geen bevoegdheid tot (verplichte) aanvulling en evenmin tot het doen een bindende aanbeveling of voordracht.

Het Reglement C1iŽntenraad: er is geen cliŽntenraad. Die had er kunnen zijn als de oudercommissies er toe waren gekomen leden voor een cliŽntenraad voor te dragen aan de Stichting. Door interne problemen en ruzies binnen een oudercommissie en de verhuizing van een lid van de oudercommissie die zou worden voorgedragen is het daar echter nooit van gekomen ondanks de adviezen van de directrice om een cliŽntenraad te vormen.
Overigens is het toekennen van een bindende bevoegdheid aan een cliŽntenraad in strijd met de statuten. Een reglement kan niet de niet in strijd met de statuten bevoegdheden toekennen aan personen. Dat is in strijd met het recht dat voor rechtspersonen geldt.

Het Beleidsplan Ouderbeleid: ook deze geeft geen bevoegdheid tot (dwingende) aanvulling van het bestuur. Artikel 4.5 spreekt van het recht dat werknemers zouden hebben om een bindende voordracht te doen voor twee bestuurszetels. De tekst van dit beleidsstuk is in strijd met de statuten. Het Beleidsstuk staat wat status betreft lager dan een reglement en blijkens de statuten -en het rechtspersonenrecht- kan een reglement niet in strijd met de statuten zijn, laat staan een beleid. Ik heb het dan nog niet over de innerlijke frictie die in dit artikel is neergelegd die te maken heeft met het profiel van de te vervullen bestuursfunctie. De Wet Medezeggenschap CliŽnten Zorginstellingen: deze geeft in artikel 7 het recht aan de cliŽntenraad om een bindende voordracht voor ťťn bestuurslid te doen maar zoals gezegd, is er geen cliŽntenraad. Dit artikel geeft aan ouders in hun hoedanigheid van ouders geen bevoegdheid.
Bovendien kan ook deze wet de statutaire regels en bevoegdheden niet opzij zetten. De statuten kennen maar onder zeer speciale omstandigheden, die hier niet aan de orde, zijn een bindende bevoegdheid aan personen toe bij de benoeming van bestuursleden.

Het Tijdelijk Besluit Kwaliteitsregels Kinderopvang bevat geen enkele bepaling die ook maar enigszins betrekking kan hebben op de samenstelling van besturen van instellingen die kinderopvang verzorgen en evenmin over de bevoegdheid tot het benoemen van bestuurders.

Er is dus voor ouders noch personeel een rechtsgrond die ten grondslag ligt aan hun vordering. Dat geldt dus ook voor de stichting Boink.

In de dagvaarding wordt niet aangegeven op welke rechtsgrond de vordering van de Gemeente Schiedam gebaseerd zou kunnen zijn. Dat geldt ook voor de Stichting Samenwerkende Schiedamse en Vlaardingse Ziekenhuizen en Kidsconcern Holding b.v. die eveneens als eiseressen optreden. Geen van deze drie kan op een van de in de dagvaarding genoemde reglementen, wettelijke regelingen en beleidsnotaís een beroep doen ter rechtvaardiging van hun vordering.tot benoeming van drie bestuurders in het bestuur van de Stichting. Afnemers van kindplaatsen zijn geen cliŽnten in de zin van de Wet Medezeggenschap C1iŽnten Zorginstellingen. Zij zijn evenmin ouder in de zin van de genoemde reglementen. Zij betalen maar dat is geen grond voor beleidsinvloed of benoemingsrecht van bestuurders.

Dit brengt mij op iets anders en wel de vraag of eisers wel de juiste rechtsingang hebben gekozen. Het rechtspersonenrecht geeft voor het voorleggen van bestuursbesluiten een andere ingang dan thans door hen is gekozen. In dit verband is denk ik van belang de formulering van de tekst van de wet van 2:299, 298 en 297 BW. Niet voor niets wordt er in 2:299 gesproken over "rechtbank" en niet van "president" hetgeen in 2:297 wel wordt gedaan. Ook de Wet Medezeggenschap C1iŽnten Zorginstellingen geeft in artikel 10 een andere ingang dan die van de president.

De enige basis die voor de vordering van eiseressen en eisers overblijft, is hun ongenoegen over de situatie waarin de Stichting verkeert. Dat is een situatie die door de ouders in leven is geroepen, waarvan het vuur door de pers is aangewakkerd en waarin het merendeel van het personeel evenals de gemeente Schiedam en een aantal afnemers van kindplaatsen partij heeft gekozen op emotionele gronden tegenover de Stichting. Ik heb het al eerder een hysterie genoemd.

Deze hysterie is zeer ten nadele van de kinderen geweest en is het nog steeds.
Het heeft ons uitermate verbaasd dat er op zoín destructieve en onvolwassen wijze is gereageerd op persberichten over situaties van vele jaren geleden die evenzeer als de huidige persberichten gericht waren op sensatie en emoties maar niet op de waarheid. Het heeft ons verbaasd dat mensen die wij tot dan toe als weldenkend hadden beschouwd zich opeens volstrekt emotioneel opstelden en verwijten maakten die niet door enig redelijk denken waren ontwikkeld.
Het heeft ons verbaasd dat de kwaliteit van de gegeven adviezen en de acceptatie daarvan door het personeel, aan wie de adviezen in vrijheid werden gegeven opeens geen enkele rol meer speelde. Adviezen die in team- en werkbesprekingen werden doorgesproken en uitgewerkt, adviezen waar organisatorische verandering het gevolg van zou zijn waar over gediscussieerd werd in de organisatie. Iedereen kon daarin zijn zegje doen en met ieders ideeŽn werd rekening gehouden. Dat alles speelt nu opeens geen enkele rol en wordt alleen maar negatief uitgelegd.
Zijn tegen deze adviseur en zijn adviezen werkelijke houtsnijdende bezwaren naar voren gebracht? Wij hebben er geen gehoord. Zijn er op reeŽle feiten gebaseerde argumenten naar voren gebracht? Wij hebben er geen gehoord.

Wat ons het meest heeft verbaasd, is het feit dat men liever destructief handelt dan te zeggen: wij zijn het met uw pedagogisch beleid, uw personeelsbeleid, of wat dan ook niet eens en gaan onze eigen weg.
Het tegendeel was het geval: het bestuur en de directrice moesten (hun eigen) weg gaan en de organisatie aan degenen laten die uiterst destructief te werk waren gegaan.

Ik wil nu verder gaan met de dagvaarding en kom dan allereerst bij de gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad.
Er is.een principieel belang aan de orde nl. de gepretendeerde bevoegdheid om in te breken in de statutaire bevoegdheid van het bestuur van een particuliere stichting m.b.t. de bestuurssamenstelling. Uitvoerbaar verklaring bij voorraad van een door u te wijzen vonnis zou tot gevolg hebben dat de Stichting gedwongen wordt deze drie bestuursleden te benoemen. Dit kan betekenen -en zal het ook betekenen- dat aan de Stichting een elementair recht wordt ontnomen nl. het instellen van hoger beroep. De nieuwe bestuursleden hebben immers geen belang bij hoger beroep.

Dit brengt mij op een ander aspect van de vordering: het constitutieve karakter ervan. De vordering heeft in geen enkel opzicht het karakter van een voorlopige voorziening.
Zowel de gevolgen van de uitvoerbaarheid bij voorraad, een van de peilers van het kort geding, als het feit dat er geen sprake is van een voorlopige voorziening maken dat de vorderingen via een kort geding niet toewijsbaar zijn zonder in strijd te komen met de beginselen van het Nederlandse rechtssysteem.

Bezie ik de dagvaarding van eisers dan rijst de vraag of er sprake is van een spoedeisend belang. In de dagvaarding is dat niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt. Ons inziens is er geen sprake is van een spoedeisend belang. De besluitvorming in de Stichting heeft geen hinder ondervonden door het feit dat er slechts twee bestuursleden waren. De statuten schrijven wel voor dat er vijf bestuursleden dienen te zijn maar schrijven niet voor binnen welke termijn een bestuur voor aanvulling moet zorgen. Het was in het geheel niet onze bedoeling om het bestuur blijvend uit slechts twee leden te laten bestaan.
Op 6 november verminderde het aantal bestuursleden van 5 naar 1. Vrij snel daarna werd het bestuur uitgebreid met een ander bestuurslid en bestond het bestuur uit twee personen. Een redelijke termijn voor aanvulling van het bestuur is toch minstens een paar maanden.

Het spoedeisend belang ontbreekt ons inziens. De vorderingen dienen ook om die reden te worden afgewezen.

Een andere vraag die rijst, is of eiseressen en eisers ďŁberhauptĒ wel een belang hebben bij hun vordering. Zij stellen immers dat het bestuur volgens de statuten onvolledig is en dat het met drie personen moet worden aangevuld.
Wel: er zijn inmiddels drie personen tot bestuurslid benoemd. Ik moge u verwijzen naar het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van koophandel Rotterdam dat ik aan deze pleitnota heb gehecht.
Eiseressen en eisers hebben in zoverre hun zin gekregen dat het aantal bestuursleden tot het statutaire aantal van vijf personen is uitgebreid. Alleen zijn het niet de drie die door eiseressen en eisers worden gewenst.

Het deel van de vordering dat onder het woordje "primairĒ staat, is mijns inziens niet toewijsbaar. De Handelsregisterwet staat dat niet toe. De vordering heeft een constitutief effect en dat is in strijd met het karakter van een voorlopige voorziening.

De subsidiaire sanctie is niet toewijsbaar en zeker niet ten aanzien van de gedaagden 1 en 2 die ieder als natuurlijk persoon zijn gedagvaard. Zij hebben als natuurlijk persoon geen invloed op het bestuur. Zeker ten aanzien van hen is de sanctie niet toewijsbaar. Ik merk hierbij op dat het bestuur van de Stichting niet is gedagvaard.
Bovendien is f 25.000,00 per dag buiten proportioneel. Dat geldt voor ieder van de gedaagden. Dergelijke bedragen leggen op het vermogen van de Stichting een zodanig groot beslag dat dit tot uiterst onredelijke consequenties zal leiden.
Overigens, voorzover u van oordeel bent dat de hoofdvordering we toewijsbaar is en het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan, zal er zonder meer worden voldaan aan het vonnis zodat een dwangsom niet nodig is.

Concluderend ten aanzien van het gevorderde:
De gemeente Schiedam dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Hetzelfde geldt voor eisers 198 en 200 en voorzover ze wel ontvankelijk zijn, dient de vordering van hen niet te worden toegewezen De overige eiseressen en eisers dienen niet-ontvankelijk te word verklaard danwel dienen hun vorderingen te worden afgewezen.

De Stichting heeft juridische kosten moeten maken in verband met haar verdediging in dit kort geding. Ter voorkoming van extra kosten, heeft de Stichting er van afgezien om zich door een raadsman ter zitting te laten vertegenwoordigen. In verband met kosten is een proceskostenveroordeling op zijn plaats. Een copie van de aankondiging van het bedrag aan juridische kosten wordt aan deze pleitnota gehecht.
Alle eiseressen en eisers dienen in de proceskosten die gedaagde hebben moeten maken te worden veroordeeld.

Dat wat de vorderingen betreft.
Ik wil echter van de gelegenheid gebruik maken om ten slotte nog iets anders aan de orde te stellen.

De ouders en het personeel hebben de eigen glazen ingegooid. Dat is uiterst onverstandig. Het staat vast dat de twist die er bestaat zeer ten nadele is van de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat er een einde komt aan de strijd.
Wij staan open voor een eerlijke vorm van overleg over de naaste toekomst van de kinderopvang in Schiedam, voorzover het ons betreft op basis van het door mevrouw Van Wolferen beschreven pedagogisch beleid.

Mr P.J.Bruin,
voorzitter Stichting Kinderopvang Honki Ponk.