Mr. P.J. de Bruinadvocaat en procureur
Mauritsweg 32a3012 JT Rotterdam
Tel.: 31-(0)10-4331192Fax: 31-(0)10-413877 1
Bank: 36.21.86.421Postbank: 2436325

Aan Coby de la Rie, Dirk Jan 't Hoen, Bert Dekkers en Willem van IJperen, medebestuursleden van de stichting Kinderopvang Honki Ponk
in afschrift aan Marja van Wolferen, Margaret Rijntalder, Mirjam Veldhoven, Nancy Burleson en aan alle betrokkenen binnen de Stichting Kinderopvang Honki Ponk

Ik wil langs deze weg reageren op wat er zich op de afgelopen bestuursbijeenkomsten heeft voorgedaan.

Mijn eerste bestuursvergadering was op 8 mei 2000. Sindsdien zijn er als ik het goed heb nog 7 vergaderingen geweest waarvan de laatste op 2 oktober 2000 plaatsvond. Op de eerste van die vergaderingen werd mij al snel duidelijk dat er een aantal grote problemen lagen binnen het bestuur. Dit waren, in willekeurige volgorde, de volgende problemen die elkaar in een bepaald opzicht ook wel overlapten:
- Het ontbreken van een beleid dat uitging van de uitgangspunten die in het werk met de kinderen gehanteerd werden en waaraan al worstelend door de werkenden met de kinderen en door de staf gestalte werd gegeven.
- Een smeulende machtsstrijd tussen het bestuur, waarvan met name Bert, en Marja.
- Een gebrek aan loyaliteit ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de organisatie.
- Een neiging tot autoritair handelen.

Wat het beleid betreft: het was een ad hoc beleid dat werd gevoerd.
Ik heb op de vergaderingen, door vragen te stellen en verduidelijking te vragen naar wat de achterliggende vooronderstellingen waren bij wat werd gezegd en door naar voren gebrachte stellingen, ideen en meningen terug te voeren naar de uitgangspunten voor de kinderopvang in Honki-Ponk, geprobeerd een inhoudelijke discussie binnen het bestuur op gang te brengen over het te voeren beleid en de uitgangspunten van beleid.
Het was een allereerste begin van denken over beleid.
Niet ieder van jullie was daar van gecharmeerd, zo is mij gebleken. Bert concludeerde uit het verloop van enkele vergaderingen voor 2 oktober dat niet alle neuzen dezelfde kant op wezen hetgeen naar zijn idee onwenselijk was en Willem, die overigens maar op drie van de acht vergaderingen aanwezig was geweest, merkte op dat ik op alle slakken zout legde en dat hij vond dit afgelopen moest zijn..

Het machtsaspect bleek het duidelijkst uit het feit dat Bert steeds probeerde opdrachten te geven aan Marja.

Van een gebrek aan loyaliteit zal ik drie van de voor mij meest in het oogspringende voorbeelden geven.
Het eerste voorbeeld deed zich voor bij de problemen rond het pand aan het Nijhoffplein. Op een bestuursvergadering waar Marja had gebracht dat zij het onverantwoord vond om het gebouw op het Nijhoffplein nog langer te gebruiken, was unaniem met tal van argumenten besloten dat terugkeer naar het gebouw op het Nijhoffplein niet tot de mogelijkheden behoorde. Dat zou aan de gemeente reden bekend gemaakt. Op de vergadering die daarop volgde deed zij verslag van haar ervaringen nadat zij het standpunt van het bestuur over het gebouw aan het Nijhoffplein bekend had gemaakt bij de gemeente en/of gemeenteinstellingen. De reacties van de kant van de gemeente waren negatief. Coby had zich -terecht- sterk maakt voor de beslissing van het bestuur.
Wat er toen gebeurde heeft mij zeer verbaasd: Bert, Dirk Jan en Willem vonden dat er dan toch maar gepraat moest worden over terugkeer naar het Nijhoffplein zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om het feit dat behalve de geloofwaardigheid van de organisatie ook de geloofwaardigheid van Coby in het geding was om nog maar niet te spreken van het feit dat het voor hen kennelijk de gewoonste zaak van de wereld was om kinderen in een dergelijke omgeving te laten verblijven.
Het betekende een gebrek aan loyaliteit ten opzichte van Coby die voor de organisatie stelling had genomen en die nu dreigde te worden afgevallen.
Ik heb mij krachtig verzet tegen deze opstelling.

Een tweede voorbeeld betrof de situatie van de brief van de Gemeente Schiedam over de schoonmaaktoestand van het pand aan de Schiedamseweg. Bert bracht het punt ter tafel en begon meteen maatregelen te eisen zonder te informeren naar de achtergronden van de constatering van de gemeente Schiedam en de waarde die er aan kon worden toegekend. Dit gaf blijk van een gebrek aan objectief oordeelsvermogen. Het betekende een gebrek aan loyaliteit ten opzichte van Marja, die meteen in een verdedigende rol werd gedrongen, en een gebrek aan loyaliteit ten opzichte van de organisatie.
Ik heb daartegen geprotesteerd en aan de orde gesteld of het niet zaak was eerst eens te vragen wat er aan de hand was voordat er tot dergelijke maatregelen werd overgegaan. Van belang was ook te onderzoeken wat de achtergrond was van de brief van de gemeente Schiedam.

Het was onder meer deze discussie die Bert deed besluiten op de vergadering van 2 oktober 2000 het probleem van het niet in dezelfde richting wijzen van de neuzen binnen het bestuur vr alle andere punten op de agenda te zetten. Bij die discussie mocht Marja niet aanwezig \zijn. Zo zei hij het niet: haar aanwezigheid was niet gewenst. In zijn ambtelijke taal betekende het echter wel dat zij er niet bij mocht zijn. Hij verdedigde dat door te zeggen dat het bestuur onderling wilde praten. Hetzelfde gold voor Margaret. Het bestuur, zo verkondigde Bert, had geen behoefte aan notulen van die vergadering.
Met de uitsluiting van Marja gaf Bert aan dat hij elk contact met de gang van zaken binnen de organisatie had verloren en het bestuur alleen maar zag als een bevelend orgaan met hem als voorzitter.

Het vervolg van de gebeurtenissen heeft dat eens te meer duidelijk gemaakt, zowel wat zjn functioneren betreft als dat van Dirk Jan en Willem die zich aan zijn zijde schaarde, evenals Coby overigens zij het dat zij af en toe blijk gaf afstand te willen bewaren.

Het buitensluiten van Marja van een bestuursvergadering die over het functioneren van het bestuur gaat, geeft blijk van een gebrek aan loyaliteit ten opzichte van Marja. Immers, zij is degene die de organisatie zover heeft gebracht als deze nu is. Het is dankzij de energie en inzet van Marja dat het bestuur kan functioneren. Het is ook een gebrek aan loyaliteit ten opzichte van de organisatie door in het geheim het functioneren van (een van) de bestuursleden te willen bespreken terwijl van de werkenden in de organisatie openheid wordt verwacht met betrekking tot hun functioneren.

Het is jullie inmiddels duidelijk geworden dat ik dat niet heb geaccepteerd. Jullie nemen mij dat uiterst kwalijk.
Mij werd halverwege de vergadering door Willem het stempel psychopaat opgedrukt waar Coby in meeging. Willem meende zelfs in uiterst denigrerende bewoordingen mijn praktijk als advocaat te mogen typeren. Bert sprak mij vervolgens toe op zon wijze dat hij mij een nogal onparlementaire uitdrukking ontlokte. Dirk Jan sprak op een gegeven moment over mij als "hij naast mij hetgeen mij deed reageren met de opmerking dat die "hij Pieter heette. Uit een en ander blijkt dat er duidelijk sprake was van het overschrijden van de fatsoensnormen.

Op de bespreking van 16 oktober 2000 waarvoor Marja, Mirjam en Nancy het bestuur hadden uitgenodigd in een brief waarin zij hun verontrusting uitspraken over de gang van zaken binnen het bestuur waren Dirk Jan, Coby en Willem niet aanwezig. De bedoeling van de schrijfsters van de brief was om te helpen bij het vinden van een oplossing. Doordat slechts twee bestuursleden (Bert en ik) aanwezig waren en Bert niet in zijn functie van voorzitter aanwezig wilde zijn, was het niet mogelijk om aan een oplossing te werken. Op die bespreking gaf Bert aan dat er sprake was van een sanctie die tegen mij zou worden uitgesproken. Daarmee bedoelde hij het royement van mij als bestuurder. Kennelijk meent hij -of Dirk Jan, Coby en Willem dat ook zo zien, weet ik niet maar ik vermoed dat in ieder geval Dirk Jan en Willem er ook zo over denken- dat er straffen mogen worden uitgedeeld in een bestuur.
Afgezien van de vraag of jullie het recht hebben om mij te royeren, is het een gebrek aan inzicht om degene die een al jaren ondershuids woekerend probleem aan de oppervlakte brengt te zien als de veroorzaker van het probleem en te denken dat met de verwijdering van die vermeende veroorzaker het probleem is opgelost.

Ik constateer dat in ieder geval Bert, Dirk Jan en Willem geen reel contact met de werkelijkheid van de organisatie (meer) hebben. Het is overigens voor mij de vraag of jullie dat werkelijk ooit hebben gehad. Ik bedoel hiermee dat het de vraag is of jullie ooit hebben begrepen wat de uitgangspunten van de organisatie waren en hoe op de werkvloer van de dagelijkse praktijk binnen de organisatie met problemen wordt omgegaan.
Jullie weten niet welke ontwikkelingen zich in de organisatie hebben voorgedaan en handelen vanuit een ivoren toren. Voor Coby ligt dat mogelijk anders maar zeker weet ik dat niet.

De recente brief (26 oktober 2000) van Bert en Dirk Jan met een "richtlijn aan Marja waarin zij haar zodanig willen beperken dat haar het werken als directeur feitelijk onmogelijk wordt gemaakt, doet voor mij de deur dicht. Uit deze brief blijkt voor mij duidelijk dat Bert en Dirk Jan nooit contact hebben gehad met de werkelijkheid van de organisatie. Er is bij hen sprake van handelen vanuit macht van de positie en het belang van de organisatie wordt daaraan ondergeschikt gemaakt. Een dergelijk optreden past niet in de cultuur van de stichting en in de werkwijze die de stichting zich eigen heeft gemaakt.

Er is sprake van volstrekt onredelijk en onbillijk handelen en dat is onaanvaardbaar nog afgezien van de vraag of de aanschrijving rechtsgeldig is.
Bert en Dirk Jan handelen hiermee in alle opzichten in strijd met artikel 8 lid 2 boek 1 BW.

Ik verlang van jullie dat je die brief intrekt.
Als jullie daar niet toe bereid zijn, zal ik het oordeel van de rechtbank over deze brief vragen.

Voor mij is het duidelijk dat Bert en Dirk Jan niet passen in de cultuur van de organisatie en dat hun optreden als bestuurslid een gevaar vormt voor de organisatie en tot schade kan leiden. Als bestuurslid kunnen zij niet gehandhaafd worden. Dirk Jan heeft op de bijeenkomst van 23 oktober 2000 aangegeven dat hij op wilde stappen. Dat lijkt mij inderdaad het beste. Willem, die toch al uiterst weinig op vergaderingen kwam, heeft al geruime tijd geleden te kennen gegeven, zo vernam ik, dat hij op wilde stappen als bestuurslid. Dat lijkt mij een juiste beslissing.

Ik adviseer Bert, Dirk Jan en Willem de eer aan zich zelf te houden en ontslag te nemen uit het bestuur.

Als ik niet vr dinsdag 31 oktober om 12.00 uur van Bert, Dirk Jan en Willem schriftelijk heb vernomen dat zij ontslag nemen als bestuurslid zal ik mij tot de rechtbank wenden teneinde verdere schade van de organisatie en de daarin werkende personen te voorkomen


Pieter de Bruin
Rotterdam, 29 oktober 2000.