Honki Ponk december 2000


Marja van Wolferen komt in een lange brief aan ouders, aan personeel en aan bemiddelingsburoos terug op haar eerdere toezegging dat De Kok geen advies meer zal geven aan Honki Ponk.

24 december
Er is een nieuwsbrief rondgebracht, waarin de ouders gevraagd wordt of ze akkoord gaan met het aanstellen van een bemiddelaar in het conflict.

24 december: Brief van een ouder aan de oudercommissie naar aanleiding van de nieuwsbrief van vandaag.

22 december: Persverklaring gemeente Schiedam.

21 december: Brief van een ouder aan de burgemeester.

21 december: Reactie wethouder op vragen

17 december: Brief van vestigingshoofd aan directeur

16 december: Brief van een ouder aan de vestigingshoofden.

De kerstgedachte van Marja van Wolferen

Na alle brieven te hebben gelezen, heb ik eerst gezocht om te kijken of ik een verklaring zou geven over wat er vanuit mijn waarneming is gebeurd.
Ik begrijp het volledig dat als ouders maar het idee hebben dat er iets met hun kind wordt gedaan wat zij niet willen, zij in alle staten kunnen geraken. Ik kan dat begrijpen na al die berichten uit de publiciteit.
Ik begrijp dat zij met een probleem zitten als zij hun kind niet naar de kinderopvang kunnen brengen als zij moeten werken.
Ik begrijp dat de kinderen graag weer willen spelen met zijn/haar vriendjes/vriendinnetjes.
Ik begrijp dat u weer aan het werk wil.

De ouders veronderstellen dat er iets kan gaan gebeuren met hun kind waar zij geen toestemming voor hebben gegeven. Dat is niet het geval geweest en zal in de toekomst ook niet zijn. Het doel van de Stichting is kinderen liefdevol en in vrijheid op te vangen en dat blijft zo.

Ik begrijp niet dat er van alle ouders niet één de vraag gesteld heeft wie Jan Pieter de Kok nu werkelijk is, maar dat zij wel ingaan op datgeen wat de publiciteit schrijft en wat de heer Verbrugh, die Jan Pieter de Kok 20 jaar geleden één keer heeft ontmoet, daarover vertelt.

Wat ik ook niet begrijp is dat u denkt dat als Jan Pieter de Kok, Pieter de Bruin en ik er uit zijn, Honki Ponk weer is waar het voor staat. Dat is echter niet het geval en dat heb ik in deze brief zichtbaar gemaakt. Honki Ponk staat voor haar pedagogisch beleid en de mensen die daar leiding aan geven.
Middels deze brief wil ik u de mogelijkheid geven zicht te krijgen op de problematiek wat werkelijk aan de hand was. Gezien de gebeurtenissen van de afgelopen weken ligt de vraag bij u of u in de organisatie Honki Ponk nog werkzaam wilt zijn.

Ik ben op zoek geweest naar een adviseur die kennis, begrip en ervaring heeft op het gebied van onze pedagogische uitgangspunten van Steiner, Korczak en Gorden en die ons kon helpen zichtbaar te krijgen waar de problematiek in Honki Ponk lag. Die heb ik gevonden in de persoon van Jan Pieter de Kok.
Tot nu toe heb ik veel agressie bij ouders aangetroffen. Ik was geschokt door de persoonlijke, gewelddadige bedreigingen van sommige ouders. Ik heb zelfs anoniem een kaart ontvangen waarin stond dat de afzender mij ten grave wilde dragen. Ik zal alle bedreigingen aan de politie vermelden en ik wens niet meer verder samen te werken met deze ouders. Ik heb de ouders verzocht om te stoppen met deze agressie. Agressie heeft nooit kunnen leiden tot een oplossing, alleen maar tot intens verdriet en spijt. Altijd te laat.

Ik heb toch een verklaring geschreven om u op de hoogte te brengen over de inhoudelijke problematiek en de voortgang van Honki-Ponk.
Stichting Kinderopvang Honki-Ponk is opgezet vanuit de visie, waarin het kind centraal staat en niet de ouder en de leidster. Werken vanuit een pedagogisch beleid houdt meer in dan kinderen opvangen; bij Honki-Ponk brengt dat twee spanningsvelden met zich mee.

Het ene spanningsveld is dat niet iedere ouder het kind bewust bij Honki-Ponk brengt vanwege bet pedagogisch beleid, maar het kind brengt omdat de ouders werken en zij een plek zoeken voor het kind in de kinderopvang. Bij het intake gesprek wordt verteld wie we zijn en wordt het beleid meegegeven, maar veel ouders realiseren zich niet voldoende wat het inhoudt. In de praktijk blijkt dan dat sommige, ouders het niet eens zijn met dit beleid en er veranderingen in aan willen brengen.
Het andere spanningsveld is dat in Honki-Ponk anders opgevoed wordt dan bij sommige ouders thuis. Bij Honki-Ponk worden de kinderen benaderd vanuit de vrijheid van het kind. De vrijheid die wij geven betekent niet grenzeloos vrijlaten, maar kijken naar het kind wat het zelf wil en wat het zelf al kan vanuit zijn/haar eigen vermogen en waar het correcties nodig heeft.

Om vanuit dit gedachtegoed kinderen te begeleiden is personeel nodig dat zich daarin verdiept. Wij geven bij de ouders aan dat wij werken volgens het pedagogisch beleid. In de praktijk bleek dat naarmate we meer met uitbreiding bezig waren, het werken volgens het pedagogisch beleid op de achtergrond raakte. Ieder probeerde er zijn/haar eigen invulling aan te geven, maar het ging niet goed. Er wordt bijvoorbeeld veel straf gegeven aan kinderen. Dat paste niet bij de uitgangspunten van het pedagogisch beleid.

Het bestuur heeft vanaf 1998 begeleiding gezocht om meer verdieping te krijgen op het gebied van besturen vanuit het beleid. Echter, in de praktijk viel men weer snel terug naar werken vanuit de hiërarchie, wat niet strookte met de oorspronkelijke uitgangspunten.

Maar ook bij de leidsters ging het niet goed. Eind 1998 gaven de praktijkopleiders aan dat de inhoud van de pedagogiek bij het personeel dermate was verdwenen dat het voor hen moeilijk was deelnemers en studenten goed te begeleiden.

In het voorjaar van 1999 is er een bijeenkomst met het personeel en alle medewerk(st)ers geweest over hoe we verder zouden willen gaan en waar de knelpunten zaten. Er was grote behoefte aan pedagogische ondersteuning op alle vlakken. De praktijkopleidsters kregen uitbreiding van uren om de leid(st)ers die korter dan een jaar in dienst waren extra ondersteuning te geven. Ik ben een opleidingsbeleid gaan schrijven, waarin ik aangaf waar en wat de behoefte was van alle medewerk(st)ers. Het bestuur keurde het beleid goed en verbond daar een bedrag van f. 100.000,-- aan om er uitvoering aan te kunnen geven. De uitvoering lag in mijn bevoegdheid.
Ik organiseerde allerlei praktische cursussen voor het personeel, waar een ieder op in ken schrijven. Deze cursussen worden druk bezocht. Daarnaast zocht ik ondersteuning in de dagelijkse praktijk.

Een opleidingsdocente hoeft eerst op basis van de Gordonmethode begeleiding gegeven in de groepen op de Piersonstraat 37 en op de Schiedamseweg. Zij was verbaasd hoe weinig de medewerk(st)ers inhoud konden geven aan het beleid. Zij gaf mij als advies dat het hoog nodig was om meer praktische begeleiding te zoeken voor alle medewerk(st)ers vanuit de visie van Steiner, Korczak en Gorden. Zij ken die combinatie echter zelf niet geven. Op de Schiedamseweg was de theorie van Gorden wel wat aangeslagen, maar men ken er geen uitvoering aan geven. De praktijkopleiders gaven aan dat het aanleren van de basale kennis bij de nieuwe leid(st)ers dermate veel tijd vergde, dat ze daardoor niet toe kwamen aan meer theoretische pedagogische verdieping.
De leid(st)ers, die al langer werkte op de Piersonstraat 37, gaven aan dat zij moeite hadden met de manier van werken van de nieuwe medewerk(st)ers. Zij gaven aan dat er een onverschilligheid was ontstaan omdat leid(st)ers zich niet geheel meer gaven aan het begeleiden van kinderen. De aandacht van de leid(st)ers verplaatste zich naar onderlinge privé omstandigheden en zij konden niet aldoor de aandacht opbrengen voor de kinderen.

Hierdoor ben ik verder op zoek gegaan naar iemand die kennis had op het gebied van Steiner, Korczak en Gorden en die met mij samen deze drie visies in de praktijk bij elkaar tot uitvoering ken brengen. Ik heb gesprekken gehad met Jan Pieter de Kok, die deze theoretische- en praktische kennis had. Hij was voor mij de geschikte persoon. Eerst hebben we gekeken naar de totale organisatie en kwamen er al snel achter dat het bestuur geen kennis had om vanuit het gedachtegoed van het pedagogisch beleid te werken. En hoe kan een bestuur aan medewerk(st)ers vragen om te werken volgens het beleid als zij zelf de inhoud van het beleid niet kennen. Dat genereerde problemen. Een bestuur zou de motor moeten zijn waarvanuit beleid ontwikkeld wordt. Zij moeten het beleid kunnen toetsen en bewaken.

Het bestuur had in het voorjaar 2000 aangegeven om de organisatievorm te veranderen om financiële redenen. We spraken over een hoofd stichting met daaraan verschillende kleinere stichtingen, gekoppeld aan de vestigingen. Het bestuur vroeg mij om uit te zoeken wat daarin mogelijk was en vroegen mij met een voorstel te komen.

Vanaf oktober 1999 is het bestuur op zoek gegaan naar een bestuurslid die kennis had op het juridisch vlak. Ik leerde Pieter de Bruin kennen, die naast zijn kennis op juridisch vlak ook kennis had van de pedagogiek van Rudelf Steiner en Janusz Korczak en die bestuurservaring had. In januari 2000 heb ik Pieter de Bruin voorgedragen in het bestuur. Voordat Pieter de Bruin in het bestuur aantrad heeft hij met ieder bestuurslid apart een diepgaand gesprek gehad over zijn visie op het beleid. De bestuursleden besloten unaniem om Pieter de Bruin als lid van het bestuur op te nemen.

Vanaf juni vroeg Pieter de Bruin om een inhoudelijke vergadering in het bestuur over hoe we personeel kenden ondersteunen in hun werk. De onderwerpen ‘wat is opvoeden in vrijheid’ en ‘hoe wordt vorm gegeven aan een 8+groep gezien vanuit de vrijheid van het kind’ werden besproken en een ieder gaf hierbij aan dat het goede inhoudelijke vergaderingen waren. De bestuursvergaderingen kregen een meer inhoudelijk karakter, waarvanuit beleid ontwikkeld kon gaan worden.

Ondertussen heb ik met Jan Pieter de Kok onderzocht hoe het mogelijk was vanuit de driegeleding van Steiner te kijken naar de organisatie. Deze bespreking zou in het najaar terugkomen in het bestuur. Echter de problematiek rond de asbest op het Nijhoffplein gaf daaraan prioriteit op de bestuursagenda. Vanaf begin oktober was het de homogeniteit in het bestuur, die het onderwerp van de structuurverandering gezien vanuit de driegeleding verdrong.

Het ziekteverzuim onder het personeel was hoog, ruim 20%. Het bestuur en ik maakte ons zorgen. Ook hierover heb ik met Jan Pieter de Kok gesprekken gehad en we hebben mogelijkheden gezocht om het personeel weer terug te krijgen in de organisatie, wat ook lukte. Het ziekteverzuim liep in het jaar 2000 terug naar ongeveer 10%, hetgeen overigens nog steeds onacceptabel hoog is.

In 1999 vroeg de oudercommissie mij meer bekendheid te geven aan ouders over onze
pedagogiek. Zij vroegen mij om ouderavonden te organiseren. Daar de uitbreiding en de veranderingen van de organisatie veel tijd vergde, kon ik geen tijd vrijmaken om zelf
ouderavonden te geven. Wel besprak ik dit in de managementvergaderingen. De vestigingshoofden kozen onderwerpen uit het pedagogisch beleid die zij op ouderavonden bespraken. Zelf ben ik op advies van Jan Pieter de Kok stukken gaan schrijven in Honki-Ponkkrant over Janusz Korczak om meer van de inhoud van zijn werk bekend te maken bij de ouders en medewerk(st)ers.

De oudercommissie werd in het voorjaar gesplitst in twee oudercommissies. De oudercommissie
van de Schiedamseweg, 't Honk en 't Blok heeft zich vanaf juni 2000 voornamelijk bezig gehouden met de onderlinge communicatie, waarbij het dermate uit de hand liep dat één oudercommissielid al weer snel uit de oudercommissie werd gezet. Zelf gaven zij aan dat er geen inhoudelijke vergaderingen meer hadden plaatsgevonden.

De voorzitter van de oudercommissie, Marjan Tenk (NOOT VAN DE REDACTIE: LEES DE REACTIE VAN MARJAN), was volledig op de hoogte van het inhuren van Jan Pieter de Kok als organisatie adviseur. Zij heeft zelf van zijn diensten gebruik gemaakt. Mevrouw Tenk zat in een persoonlijk conflict met het vestigingshoofd van de Schiedamseweg, ‘t Honk en ‘t Blok, waardoor het functioneren van beiden onder spanning stond. Eind augustus vroegen zij mij om ondersteuning en vroeg zij een gesprek aan bij de heer de Kok met hem als gespreksleider, met als doel om weer beter te kunnen functioneren met elkaar en helderheid te krijgen in hun probleem. Op 5 september 2000 vond dit gesprek plaats op kosten van Honki-Ponk.

De vestiging op de Schiedamseweg, waar het afgelopen jaar niet goed ging en er een groot verloop van personeel en daardoor ook van kinderen was, behoefde de grootst mogelijke aandacht. Ook de GGD, die in 1999 haar jaarlijkse controle had verricht, had aangegeven dat het uitvoering geven aan het pedagogisch beleid op die vestiging de nodige aandacht verdiende. De kinderen werden de dupe van het ontbreken van leidsters die zich volledig kenden geven aan een goede begeleiding van kinderen. Een extern bureau, dat in augustus en september 1999 onderzoek had gedaan naar de situatie op de vestiging aan de Schiedamseweg schreef o.a.; ‘de organisatieveranderingen hebben tot gevolg dat de vertrouwde bekende omgeving verandert in een meer professionele organisatie, die eisen stelt aan de beroepsbeoefenaar. De vraag is dat de werknemers professioneel naar de situatie kijkt en meedenkt. Tijdens dit proces wordt duidelijk dat de werknemers van Honki-Ponk zich niet opstellen als deskundige beroepsbeoefenaren in een veranderende werksituatie, maar vanuit een familie-cultuur als IK-ZELF. Omdat de insteek IK-ZELF is, komen verwikkelingen tot stand en worden kwesties, met het werk verband houden persoonlijk opgevat. De persoon voelt zich gediskwalificeerd. Teamleden zijn niet meer in staat te differentiëren tussen ik als beroepsbeoefenaar en ik zelf als persoon. Dit conflict wordt het meest zichtbaar in de interne communicatie waarin een sfeer van afrekenen, aanklagen en wraak zit. Ik wil de directie adviseren dit team nadrukkelijk op communicatie te begeleiden. De manier waarop het vestigingshoofd communiceert is hier van wezenlijk belang! Als hier aandacht aan besteed blijft worden, kan dit team deze slag maken’.

Vanaf oktober 1999 zijn we gaan werken aan deze problematiek. In juni 2000 waren we zover dat het team op de Schiedamseweg een keerpunt maakte naar het professioneel kunnen kijken naar wat kinderen nodig hebben. In de zomervakantie word omgeschakeld naar combi-banen. Een combibaan. betekent dat leid(st)er gedurende de week zowel peuters als schoolkinderen begeleiden.
Jan Pieter de Kok heeft mij met zijn deskundigheid hierbij geholpen. Het personeel werd enthousiast en na de vakantie konden we een ander team samenstellen, dat er weer geheel was voor de kinderen en dat zich kon presenteren aan de ouders.
Dit werkte verder positief door, zodat we een 8+groep konden vormen. De leidsters vroegen hierbij om inhoudelijke ondersteuning. Ik ben zelf weer bij de teamvergaderingen gaan zitten en ik vroeg ondersteuning aan Jan Pieter de Kok. Hij gaf theoretische ondersteuning op de gebieden waar leidsters bij kinderen tegenaan liepen als het kind ander gedrag vertoonde dan gebruikelijk zou kunnen zijn. Hij vroeg wanneer en waarvoor leidsters gingen straffen en gaf aanwijzingen hoe dat vanuit liefde en inzicht begeleid kon worden.

Ook het personeel op de vestigingen 't Honk en 't Blok vroegen om meer inhoudelijke kennis. In januari 2001 zouden we daar ook gaan starten met begeleiding in de teamvergaderingen.

Diverse leidsters kregen vertrouwen terug in zichzelf. Ze durfden te praten over hun worsteling in de omgang met de kinderen. Ze durfden ervoor uit te komen waar zij zelf mee zaten en hoe zij dat projecteerden op de kinderen. Er werd veel straf gegeven aan de kinderen. De omslag om vanuit een liefdevolle benadering kinderen te corrigeren als zij over de grens van een ander gingen werd begrepen.
Het vergde oefening van een ieder om dat ook in de praktijk tot uitvoerig te brengen. Die omslag ontstond voornamelijk op de Schiedamseweg, waar Jan Pieter deKok begeleiding gaf aan het team. Die omslag zouden we ook gemaakt kunnen hebben op 't Honk en op 't Blok, als die problemen van de afgelopen maand er niet geweest waren.

De vestigingen op de Schiedamseweg, 't Honk en 't Blok werden aangestuurd door Arend Nijenhuis. Hij gaf in het voorjaar van dit jaar al aan het niet aan te kunnen en te willen zoeken naar een functie die beter bij hem paste. (NOOT VAN DE REDACTIE: LEES DE REACTIE VAN AREND) In het najaar bleek dat Arend nog steeds niet goed functioneerde o.a. op het gebied van communicatie als vestigingshoofd. Hij werd teruggezet in zijn vorige functie als groepsleider. Nancy Burleson, Pepita van Laer en Sylvia Florentinus gaven aan dat zij die functie over wilden nemen. Er hebben diverse gesprekken plaatsgevonden, waaronder ook een gesprek met Jan Pieter de Kok, die mede aangaf dat ze nog veel te leren hadden, maar de capaciteit in zich hadden dat aan te kunnen. Hierna hebben sollicitatie gesprekken plaatsgevonden in de vestigingen en hebben de teams inspraak gehad op de aanstelling van het nieuwe vestigingshoofd..

De organisatie was op alle fronten aan het veranderen. De noodkreet 'doe iets aan het pedagogisch beleid' werd gehoord. Naarmate meer inhoud over de kennis van het beleid terugkwam, des te duidelijker werd het wie er wel en wie er niet wilden werken vanuit het beleid. Ik heb in de laatste maanden vóór 1 december diverse medewerk(st)ers, schoolkinderen en ouders gezien en ervaren die enthousiast waren.

Hoe zal Honki-Ponk er in de toekomst uitzien?

Het kind kiest zijn/haar ouders. De ouders besluiten om hun kind naar een dagverblijf te brengen. Het kind wordt bij Honki-Ponk gebracht waar het vraagt om een liefdevolle omgeving om er te mogen zijn wie het is en we het wil worden.
Het kind verdient de grootst mogelijke aandacht van een volwassene. Bij Honki-Ponk staat het kind centraal. In Honki-Ponk wordt begeleid vanuit de inzichten van Rudolf Steiner, Janusz Korczak en Thomas Gordon, wat betekent dat kinderen worden begeleid vanuit de vrijheid en verantwoordelijkheid. De kinderen laten zien en geven aan wat zij willen en hoe zij dat willen. Kinderen dragen op hun ontwikkelingsniveau hun eigen verantwoordelijkheid. Daarin worden ze begeleid door volwassenen.
Hiervoor zijn leidsters nodig die zich verdiepen in ieder kind dat bij hen komt. Ieder kind vraagt om een eigen begeleiding. Dat betekent dat de leidster zich verdiept in wie het kind is en waar het kind vandaan komt; het gezin waarin het kind leeft, leert kennen door middel van gesprekken met de ouders en zich inleeft in de gezinssituatie van het kind. Het betekent ook dat de leidster de hele dag goed naar het kind moet kijken en inspeelt op de behoefte van het kind en het kind corrigeert als het over de grens van de ander en over de grens van zijn/haar eigen kunnen gaat. In het dagelijkse werk worden
theorie en praktijk samengebracht en uitgevoerd.
Ouders en leidsters begeleiden kinderen vanuit verschillende perspectieven, in het ideale geval vullen ze elkaar aan. Ouders kunnen opvoedingsondersteuning krijgen van leidsters. Leidsters helpen elkaar om over de kinderen te praten. Daarbij praten ze niet alleen over het kind, maar ook over elkaars mogelijkheden en grenzen, elkaars tekortkomingen, elkaars onzekerheden.
Groepshulpen en huishoudelijk medewerksters ondersteunen de leidsters bij hun taak op bet gebied van hygiëne en voedingsvoorbereiding.
Om dit te kunnen verwezenlijken heeft de leidster een omgeving nodig waar dit mogelijk is. De omgeving wordt aangepast aan de behoeften van het kind. Een gebouw en materialen, zoals meubilair, speelgoed, voeding e.d. zijn de hardste en zichtbaarste gegevens.
Dit proces vergt ondersteuning, wat gegeven wordt door de directeur en de vestigingshoofden . Zij zouden het bestuur moeten vormen.
Het bestuur dient gevormd te worden door mensen die de Stichting verder willen ontwikkelen en die op de hoogte zijn van wat kinderen nodig hebben vanuit de visie van Honki-Ponk. Zij ondersteunen de medewerk(st)ers om vanuit het pedagogisch beleid te kunnen werken. Bestuursleden dienen inhoudelijke kennis te hebben op dit gebied. Beslissing worden genomen op basis van consensus.
Het bestuur wordt ondersteund door de administratief medewerksters en deskundige mensen van buitenaf.

In de hele organisatie is studie en verdieping van hot pedagogisch beleid een noodzaak om te kunnen functioneren.Ieder mens mag fouten maken. Er wordt, zonder oordeel, over gesproken. Men is bereid elkaar te helpen bij het oplossen daarvan. Wederzijds respect is het uitgangspunt.

Honki-Ponk is een organisatie die altijd met een pedagogisch beleid gewerkt heeft. Tot nu toe was het kennelijk te onduidelijk waar Honki-Ponk echt voor stond. Dit gaf de mogelijkheid aan ouders en medewerk(st)ers om voortdurend hun eigen invulling eraan te willen geven, die botste met de uitgangspunten van bet beleid.

Honki-Ponk gaat verder met Pieter de Bruin en ondergetekende in het bestuur, in de toekomst mogelijk aangevuld per vestiging met vestigingshoofden. Dit behoeft voor de toekomst nog een verdere verdieping. Ook een andere, dichter bij de vestigingen staande (bestuurs)organisatievorm, is mogelijk.
Jan Pieter de Kok blijft de organisatie adviseur. Daarnaast blijven adviseurs op specifieke terreinen noodzakelijk, zoals b.v. een accountant.

Ik vraag u zelf een keuze te maken of u bij Stichting Kinderopvang Honki-Ponk wilt
blijven werken.
Ik verzoek u mij dit schriftelijk kenbaar te maken vóór 3 januari 2001 en het te sturen naar Stichting Kinderopvang Honki-Ponk, Piersonstraat 37, 3119 RG Schiedam. Indien ik geen antwoord van u ontvangen heb, ga ik er van uit dat u niet meer bij de Stichting wilt blijven werken.

Het bestuur heeft in verband daarmee besloten de kinderopvang nog niet op 2 januari 2001 te openen, maar de openingsdatum te verschuiven naar 8 januari 2001, wanneer duidelijk is wie bij Honki-Ponk wilt blijven. Tot die datum zijn de vestigingen gesloten.


Hoogachtend,


Marja van Wolferen
Directrice Stichting Kinderopvang Honki Ponk