DE DOOD: EEN NIEUWE GEBOORTE.

De dood, een gevolg van het leven, dat de mens maar liever vergeet. Op onnavolgbare wijze leert Don Juan zijn leerling Carlos Castaneda hoe ťťn der oorzaken van veel mensenleed en onbewustzijn is, dat de mens voortdurend in de illusie leeft, dat ieder wezen om hem heen op elk moment kan sterven, alleen hijzelf niet. Over het algemeen wenst de mens zich niet bewust te zijn van het feit, dat ieder moment van de dag weleens zijn laatste zou kunnen zijn, voor wat betreft de verbintenis met zijn huidige stoflichaam. De angst, die de mens om het hart slaat, zodra hij geconfronteerd wordt met het begrip of de gedachte "dood", is zo sterk, dat deze bedreiging maar het liefst zo spoedig mogelijk vergeten, onderdrukt of weggeredeneerd wordt.

Bij de iatrosophische benadering van ziekte en gezondheid behoort natuurlijk ook het verkrijgen van een zo groot mogelijk inzicht in het leven en de dood. In dit artikel zal getracht worden de dood op dusdanige wijze te benaderen, dat de mens er niet langer voor behoeft te vluchten, maar zich bewust kan worden van zijn eigen dood, van het feit dat deze even reeŽl is als zijn leven. Bij deze bewustwording. die op zich een innerlijke strijd is, ontstaat dan de mogelijkheid om de dood niet langer te zien als een kwade, angstaanjagende genius, maar hem te gaan gebruiken als raadgever, zoals Don Juan het uitdrukt. Of, uitgedrukt in de terminologie van Rudolf Steiner, om via het ervaren, aanvaarden en.doorkomen van de eigen dood, bewustzijn te verkrijgen op hogere gebieden, bewustzijn van de alomtegenwoordige geestelijke wereld.

De angst voor de dood komt bij de meeste mensen pas boven, wanneer zij ziek worden. Duidelijk worden we met deze angst geconfronteerd bij mensen, die aan een ziekte lijden, die hun leven in een terminaal stadium brengt. Dan zien we de intense zieleangst niet alleen bij de mens, die ziek is, maar tevens bij diegenen, die in de omgeving van de zieke verkeren. Er wordt vaak over van alles gepraat, van koetjes en kalfjes tot "misschien voel je je morgen wel beter!", behalve over het enige wat op dat moment voor de zieke van betekenis is, het enige wat hij of zij nodig heeft voor de juist dan zo noodzakelijke bewustzijnsontwikkeling: de dood!

De vraag die zich opdringt is natuurlijk: "Hoe komt het toch, dat de mens zo bang is voor de dood?" Het antwoord kan bestaan uit een geesteswetenschappelijk onderzoek van de Mensheidsgeschiedenis, waarin zal blijken, dat een belangrijke rol hierbij gespeeld wordt door de opkomst van het materialisme onder leiding van de Ahrimanische wezens. Voor een verdieping van het inzicht in de dood verwijzen wij u naar het omvangrijke werk van Rudolf Steiner over de verschillende aspecten der mensheidsontwikkeling en de functie dezer aanzichten. Bij een bestudering van dit werk wordt duidelijk hoe in collectieve zin de angst voor de dood in de loop der geschiedenis binnen het wezen van de mensheid als totaliteit is geslopen.

Het ligt in de bedoeling om in dit artikel een meer individuele benadering te geven van het wezen en de betekenis van de dood. Terugkomende op de eerder gestelde vraag kan het antwoord, in individuele zin dus, betrekkelijk eenvoudig zijn: De mens heeft een ingewortelde angst voor de dood, wanneer hij een zinloos leven leidt, c.q. tot de ontdekking komt niets in zijn leven gedaan te hebben, dat werkelijk van waarde is!

De waarheid is altijd moeilijk te verdragen, zo ook deze. Als uitspraak zonder meer kan een dergelijke opmerking, wanneer er niet een diep inzicht bestaat in het geestelijk wezen van de mens en diens functie, ook zeker aanleiding zijn tot allerlei misverstanden. Daarom zullen we een poging doen een tipje van de sluier, die het inzicht in het wezen van de mens bedekt op te lichten. Bij de bestudering van de benadering van de mens door alle cultuurtijdperken heen in filosofische en religieuze stromingen vinden we telkenmale de onvernietigbaarheid van de essentie van het menselijk wezen terug. Een aantal voorbeelden van benaderingen van de mens gedurende de laatste 700 jaar:
* De Rozenkruisers benoemden de totaliteit van het wezen van de mens wel als "minutus mundus" of later: "microkosmos", kleine wereld. Deze kleine wereld waarin ieder individu leeft, is, z oals ook het universum, zevenvoudig van aard. Momenteel openbaart zich in de minutus mundus een viervoudige individualiteit, die wanneer hij kiest voor een stoffelijk leven op aarde, zowel zijn lot alsook een innerlijk te vervullen levensopdracht aanvaardt.
* Theophrastus Paracelsus (geneesheer, alchemist en philosoof, einde 15e begin 16e eeuw) spreekt over de ďlimbus minor" waarin zich de zichtbare en onzichtbare delen bevinden, die iedere mens tijdens zijn levensreis met zich meedraagt. Zijn geneeskunst is erop gebaseerd de mens in harmonie te brengen met zijn, vrijwillig aanvaarde, bewustzijnsontwikkeling.
* Samuel Hahnemann, grondlegger der homoeopathie in de vorige eeuw, noemt het menselijk wezen ''autocratie", een zelfregerend, autonoom wezen, waarin zich de persoonlijkheid openbaart! Hahnemann beschouwt als het doel van zijn geneeskunst, de homoeopathie: de mens zijn gezondheid te hergeven, zodat hij zijn wezen in dienst kan stellen van het hogere doel van zijn ontwikkeling: de dienstbaarheid van de persoonlijkheid aan de geestelijke wereld en de mensheidsontwikkeling, onder leiding van het wezen van de Christus.

Bovengenoemde weerspiegelt een belangrijk gedeelte van de benadering van het doel en de zin van het leven. Vele mensen worden geboren met de bewuste vrije keuze, gemaakt in het voorgeboortelijke stadium (de periode voor de incarnatie in de stof, wanneer de mens nog in de geestelijke wereld verblijft) om dit doel van innerlijke en uiterlijke dienstbaarheid gedurende hun leven te vervullen. Helaas zijn voor de meeste mensen de verleidingen van deze wereld na hun geboorte in de stof zo groot, dat zij hun innerlijke opdracht volledig vergeten of er niet de moed of de kracht toe bezitten daadwerkelijk iets aan de mensheidsontwikkeling bij te dragen. Ook op de aspecten van de verleidingen en beÔnvloeding vanuit de stof zou veel dieper ingegaan kunnen worden. Gezien het doel van het artikel zullen we dit echter niet doen. Wel raden wij u aan het zeer belangrijke werk van Peter Tradowsky, getiteld ĒKASPER HAUSER" te lezen; dit werk verdiept het inzicht in de mensheidsontwikkeling in het algemeen en de levensopdracht van het individu in het bijzonder.

Aan de hand van het bovenstaande zal het duidelijk zijn hoe het woord zinloos uit het antwoord op onze vraag begrepen moet worden: de mens is bang voor zijn dood, wanneer hij gedurende zijn leven niets bijgedragen heeft tot de mensheidsontwikkeling in collectieve zin, d.w.z. wanneer hij zijn ego tot het centrum van al zijn activiteiten, gevoelens en gedachten gemaakt heeft. Bij de dood verliest de mens dit ego,het is niet langer ' het middelpunt van de wereld: de illusie wordt vernietigd. De illusie is het idee, dat alles wat een mens in persoonlijke zin gedurende zijn leven verricht of opbouwt van waarde zou zijn. Evenals de persoonlijkheid zijn ook alle scheppingen in dienst van het ego vergankelijk. slechts de daden, die de mens belangeloos, in vrijheid en naastenliefde verricht bezitten blijvende waarde.

Vaak komt een mens pas aan het einde van zijn leven tot de conclusie, dat hij zich alleen heeft laten leiden door persoonlijke begeerte, emoties en materialisme. Als altijd komt berouw ook dan te laat en steekt de angst.de kop op.

Een poging om de mens met zijn dood te verzoenen wordt, vooral de laatste decennia gedaan vanuit de wereld van het spiritisme. Via een grote verscheidenheid aan zogenaamde "media" wordt de mens het beeld voorgehouden van de ďo, zo mooie wereld na de doodĒ. Buiten een groot aantal negatieve gevolgen, die deze vorm van benadering van de dood met zich meebrengt, vergroot het slechts de illusie en beperkt het als zodanig in sterke mate de menselijke vrijheid. De wereld na de dood is slechts de spiegeling van de wereld waarin de mens tijdens zijn leven verkeerd. Het is niet het Walhalla, dat de mens via het spiritisme beloofd wordt, maar slechts een spiegelbeeld van de wereld, zoals de mens deze dagelijks ervaart, met alle goede en kwade aspecten, die er ook tijdens het leven zijn. Ten onrechte wordt deze "spiegelsfeer", zoals de Rozenkruisers het noemen, voor een geestelijk - Goddelijke wereld aangezien. Het is echter slechts de, voor de meeste mensen, onzichtbare spiegeling van de bewuste wereld, die even persoonlijk en egocentrisch is als het leven van het individu, dat bewust in ťťn of beide werelden verkeert. Deze wereld, die zich niet verder uitstrekt dan de maansfeer, heeft niets met de geestelijke wereld in Goddelijke zin te maken. Het bestaansgebied der onpersoonlijke, geestelijke hiŽrarchieŽn bevindt zich vooral voorbij de maansfeer. Dante schildert de gang van de mens door het dodenrijk en de wereld van de geestelijke hiŽrarchieŽn op zeer kunstzinnige wijze in zijn boek: ďDe Goddelijke ComedieĒ.
Wanneer treedt nu in een mensenleven op aarde de dood op, en vooral: wat gebeurt er na de dood?

Het is van belang bewustzijn te verkrijgen van het feit, dat de dood slechts dan optreedt, wanneer de mens de zichzelf gestelde opdrachten voor dit aardeleven of vervuld heeft of ze in dit stoflichaam niet verder kŠn vervullen. Pas op dat moment moet de som van de opgedane ervaring in de betreffende incarnatie-in-de-stof terugkeren tot de bron, van waaruit de persoonlijkheid tot aanzijn kwam: de zevenvoudige microcosmos.

De eerste fase van deze terugkeer, die als een geboorte in de geesteswereld beschouwd mag worden, bestaat uit het verbreken van de verbintenis van het innerlijk wezen van de mens met zijn materiŽle voertuig: het stoflichaam. Wanneer dit proces plaatsgevonden heeft, ontstaat het moment waarop de wetenschap de mens officieel "dood" verklaart. Geesteswetenschappelijk beschouwd is dit echter slechts het eerste van een serie processen, die allen tezamen het sterven van de persoonlijkheid genoemd worden. Het tweede aspect van het sterfproces treedt op gedurende een periode van ongeveer drie dagen, direct volgend op de losmaking van het stoflichaam. Gedurende deze drie dagen vervluchten de etherkrachten, die tijdens het leven de functionele aspecten van het stoflichaam bepaald hebben.

Vanuit het etherlichaam keren deze krachten allereerst terug tot de microcosmos, van waaruit ze teruggeschonken worden aan het etherveld van onze planeet, de aarde. Door de hiŽrarchie, die tijdens onze aarde-ontwikkeling het etherveld bestuurt, worden dan, met de na de dood afgedragen etherkrachten, de verschillende plantensoorten en -rassen op aarde geschapen en onderhouden.

De astrale krachten van de mens vervluchtigen, als derde losmakingsproces, gedurende een periode van ongeveer 1/3 van de totale tijdsduur van het leven van de zich in de stof openbarende persoonlijkheid. Gedurende deze periode beleeft de mens alle gebeurtenissen uit zijn leven opnieuw maar in omgekeerde volgorde. De beleving dezer gebeurtenissen is echter zodanig dat hij nu in zichzelf ervaart hetgeen hij anderen aandeed of in anderen veroorzaakte, in negatieve zowel als in positieve zin. Na deze zielebeleving wordt al deze ervaringswijsheid nu opgeslagen en toegevoegd aan dat deel van de microcosmos, waarin reeds de som der ervaringen der voorgaande persoonlijkheden, die zich in het verleden met het geestelijk wezen van die mens verbonden hebben, was opgetekend. De aard van de dusdanig ontstane zielekwaliteiten bepaalt dan de voortgang of de stagnatie van de ontwikkeling van iedere microcosmos gedurende zijn lange reis door de planeetontwikkeling die de aardefase der mensheid genoemd wordt. De overige astrale krachten uit de astrale ontwikkeling van het individu keren terug tot de hiŽrarchieŽn, die heersen over het astraallichaam van de aarde. Deze verheven geestelijke wezens scheppen en belevendigen met behulp hiervan de dierenwereld.

Het vierde aspect van de mens neemt een bijzondere plaats in t.o.v. de drie eerder genoemde lichamen. Het vormt datgene, wat de mens onderscheidt van alle overige natuurrijken: het IK. Met de term IK wordt geenszins het ego bedoeld, maar veeleer de geest van het individu.

Het woord IK is etymosofisch verwant aan Jezus Christus, we vinden dit nog duidelijker terug in het Duitse ICH. Het,is deze geestelijke individualiteit, die de mens tot mens maakt, maar vooral is het dit IK, dat het de mens mogelijk maakt een rechtstreekse innerlijke verbinding met het wezen van Christus Jezus te onderhouden. Met opzet wordt hier gesproken van "mogelijk maakt", daar dit een proces is, dat zich uiteraard niet vanzelf voltrekt. Uitsluitend wanneer de mens zijn denken, voelen en willen gedurende zijn aardeleven dienstbaar heeft gemaakt aan Christus, kan zich een dergelijke verbintenis vormen. Daar het IK bij de meeste mensen op het moment, dat het zich met de mens verbindt, als een nagenoeg onbeschreven blad te beschouwen is, is het aan de mens, als individu, om gedurende zijn leven zijn IK inhoud te verlenen. Dit kan op twee manieren geschieden: Wanneer het leven dienstbaar wordt gemaakt aan de persoonlijke begeerten van het individu, zal op de plaats van het IK een vergankelijk ego verschijnen. Als de mens echter zijn leven leeft in dienst van het Liefdewezen Christus Jezus zal er een onvergankelijk IK in hem ontstaan. Overeenkomstig, het tijdens het leven gevolgde doel, ontstaan er dan na dood ook twee mogelijke processen:

Bij de mens, die zijn ego in de plaats van zijn IK ontwikkeld heeft, zal dit ego na het sterven vervluchtigen op een wijze die gelijksoortig.is aan wat reeds eerder werd omschreven bij de na de dood optredende.ether- en astraalprocessen. Er bestaat echter een belangrijk onderscheid tussen de uitwerking van de drie vervluchtigingsprocessen op de nog in een stoflichaam levende mensheid. Waar ether- en astraallichaam vooral te maken hebben met de aspecten ruimte en tijd, daar vertoont het IK overeenkomst met bewustzijn.

De mens, die zijn ego via de hiŽrarchieŽn, die hier verantwoordelijk voor zijn, na zijn dood aan zijn op aarde levende medemensen terug doet vloeien, draagt op deze.wijze slechts bij aan de egoÔstische ontwikkeling der mensheid. Anders wordt het, wanneer de mens gedurende zijn leven werkelijk zijn Ik heeft ontwikkeld. Er.bestaat dan een levende, innerlijke verbintenis met de Christus, die onvergankelijk is. Dit IK gaat niet verloren na de dood, maar blijft als bewustzijn beschikbaar, enerzijds direct voor de nog op aarde verblijvende mensheid, anderzijds indirect voor de volgende persoonlijkheid, die zich in een latere incarnatie, met het geestelijke wezen, de microcosmos van dit individu verbindt. Wanneer we het bovenstaande in ons op trachten te nemen moeten we ons terdege realiseren, dat hier gesproken werd over de situatie, waarbij de verschillende processen ongehinderd doorgang kunnen vinden. Men zal er zich bewust van zijn, dat er dan min of meer sprake is van een ''ideale'' situatie.

In werkelijkheid vertoont dit proces echter bij de meeste mensen in vele stadia stagnatie. In de diverse ontwikkelingsfasen van het verstervingsproces kan aarzeling, gehechtheid aan het oude leven optreden, waardoor er vaak vertraging in de vervluchtigingsprocessen plaats vindt. Bovendien maken, door bepaalde wezens onderhouden, verbindingen tussen stof-, ether- en astrale werelden het de mens mogelijk om langer in de laagste regionen van de dodenwereld te verblijven, dan strikt noodzakelijk is. Belangrijke onderdelen van deze ontwikkelingsgang tussen dood en nieuwe geboorte worden op onnavolgbare wijze beschreven door Dante Alighieri in zijn: ďDivina CommediaĒ.

Het onderste deel van het dodenrijk tot en met de maansfeer, wordt tevens in stand gehouden door wezens die belang hebben bij de stagnatie van de mensheidsontwikkeling in zijn geheel. Deze wezens kunnen invloed uitoefenen vanuit deze laagste regionen van het dodenrijk, wanneer ze in staagt zijn bij groepen overledenen de begeerte naar het verleden, het voorbije aardeleven, wakker te houden.

Deze groepen doden gaan dan hun invloed uitoefenen op de in de stof achtergeblevenen, zowel op individuele wijze als via grootscheepse groepsgebeurtenissen.

Waarom besteden wij hier nu aandacht aan?

Omdat de mens juist in deze tijd bestookt wordt door krachten, die via het dodenrijk, maar vaak ook rechtstreeks, de mensheidsontwikkeling willen ophouden. De wezens, Lucifer, Ahriman, Azura en Sorat, zijn niet gebaat bij een voortgang van de mensheidsontwikkeling, zij trachten met alle hun ter beschikking staande mogelijkheden te voorkomen dat grote groepen van mensen zich op individuele wijze met het wezen van Christus Jezus verbinden. Voor wie inzicht heeft in de aangrijpingspunten die deze wezens gebruiken, is het eenvoudig kat en koren van elkaar te scheiden. De meeste mensen worden echter het slachtoffer van de immense verleidingskrachten van deze wezens.

Aan de hand van het beschrevene zult u echter al een beeld verkregen hebben van het karakter van de werkzaamheid van de wezens, die de mensheid in zijn ontwikkeling trachten te stagneren. Voor de duidelijkheid zal echter een beeld geschetst worden van deze remmende activiteiten binnen de mensheid:

Er wordt dan volgens drie principes gewerkt. In de eerste plaats in de richting van het verleden, hetgeen op verschillende wijze tot uitdrukking kan komen, bijvoorbeeld door gebruikmaking van tradities. Een tweede belangrijke karakteristiek is de herhaling, bijvoorbeeld in de vorm van de herhaling van een mantram.

Op indringende wijze beschrijft Dante in zijn "Goddelijke ComedieĒ, dat herhaling nu juist het kenmerk van de hel is.

Deze beide aspecten leiden tot een derde aspect, dat desastreus genoemd mag worden voor de ontwikkeling van de mens. Door het gebruik van verleden en herhaling verliest de mens op den duur zijn individualiteit, d.w.z. hij verliest de mogelijkheid zijn IK te ontwikkelen tot een rechtstreekse verbintenis met het wezen van de Christus. Hij wordt onderhorige, aan een guru, aan een meester, aan een groep of aan een ideaal.

Het doel van de remmende activiteiten is dan bereikt: de ontwikkeling van dat individu is, vaak voor vele incarnaties gestagneerd.

Waarom nu deze uitleg? Vormt zij onderdeel van een fanatieke kruistocht tegen alle gurus en meesters?

Geenszins, het is slechts een poging tot bewustmaking. Doel van iatrosophia is niet de mens tot een bepaalde keuze aan te zetten, neen, doel is de mens bewust te laten kiezen. Zo draagt hij dan werkelijk zelf de verantwoording voor zijn levensweg. Rudolf Steiner beschrijft in een kort geleden verschenen brochure: ďDe God van de alpha en de God van de Omega", op zeer duidelijke wijze het verschil tussen beide ontwikkelingen, waartussen de mens kan kiezen. Nogmaals, van belang is niet welke van beide door de mens gekozen wordt, van belang is welke bewust gekozen wordt.

De God van Alpha wordt dan door Rudolf Steiner beschreven als de statische God, de God die vroeger en nu hetzelfde is, de God van het verleden.

De God van de Omega is de God, die de mensheidsontwikkeling meemaakt, actief, dynamisch. Het is de God, ten opzichte waarvan Christus de Zoon functie vervult. De God, die de mens dynamisch wordend, ontwikkel begeleidt tot aan het einde van de mensheids-ontwikkeling.

Natuurlijk is er een duidelijk merkbaar onderscheid tussen de dienaren van de God van de Alpha en die van de God van de Omega.

De God van de Omega wordt in de mensheidsontwikkeling vertegenwoordigd door Christus Jezus en al diegenen die via hun IK, door een practisch dienstbaar dadenleven, met hem in verbinding traden. Let wel: een dergelijk proces gaat nooit gepaard met een verlies of afvlakking van de individualiteit, maar veeleer met een vergroting der individualisatie.

De God van de Alpha wordt gediend door allen, die gericht zijn op verleden, op het zich onttrekken van de verantwoordelijkheden, die wij als individu t.o.v. onze planeet hebben, op een vergeestelijking zonder vaste voet op aarde te houden. Voorbeelden zijn er te over: Spiritisme; alle gurus en meesters, ook diegenen, die beweren, dat aan het einde van de weg de discipel toch zelfstandig wordt, zoals Bhagwan Sri Rajneesh; alle autoritaire religies; alle occultisme, dat niet tot een rechtstreekse verbintenis met de Christus voert, dus bijv. ook astrologie in de zin van persoonlijke horoscopie; alle individuen of instanties, die gebruik maken van terechte of onterechte toekomstvoorspellingen om mensen voor hun doel te winnen, zo ook Benjamin Creme.

De laatste bekleed een bijzondere positie in deze opsomming: hij verklaart c.q. voorspelt de wederkomst Christi op aarde!

Een ieder, die het werkelijke wezen van Christus enigzins in zichzelf ervaart, zal tot de conclusie moeten komen, dat het wezen van Christus zich slechts eenmaal gedurende de gehele mensheidsgeschiedenis met een stoffelijk lichaam behoeft te verbinden om zodoende Heer van onze aarde, of ook wel planeetlogos genoemd, te worden. Zoals reeds gezegd: herhaling betekent de hel, het tegengestelde van de geestelijke wereld. Welke entiteit zich ook in naam van Christus mag opwerpen, wanneer men de geestelijke wetten, die de mensheidsontwikkeling op dynamische wijze begeleiden, enigzins begrijpt dan zal duidelijk zijn, dat de afstand van dit wezen tot de werkelijke Christus optimaal genoemd mag worden. Christus behoeft niet op aarde te komen, Hij is de aarde!

Nogmaals en misschien ten overvloede merken wij op, dat het bovenstaande niet geschreven werd vanuit welke vorm van kritiek of fanatisme:dan ook, doch slechts met het doel de Waarheid te dienen.

Deze tijd maakt het noodzakelijk, dat de feitelijke toestand van de wereld en mensheid onder ogen wordt gezien, zodat de mens, iedere mens als individu, een bewuste keuze kan maken welke weg hij wenst te bewandelen.

Het klinkt paradoxaal, maar wanneer een mens voor iets kiest, dan moet iets anders in hem sterven. Wij mogen de hoop uitspreken, dat dit artikel bij mag dragen tot die keuze, waarbij de dood werkelijk als een nieuwe geestelijke geboorte mag functioneren.
Tot slot dan nog een raad voor ďonderweg", een advies van niemand minder dan Jacob Boehme:

"Wie niet sterft, voordat hij sterft, die verderft, als hij sterft...Ē

Jan Pieter de Kok