Het verhaal van Mirjam

Sinds september 2002 vangen de zussen Liesbeth en Petra van den Hout kinderen op in het huis van Stichting Novala aan de Markt in Kruisland.

In september 2002 werd daar door MEE Zuid Holland Noord een toen 10-jarig meisje geplaatst, dat in een crisissituatie verkeerde. Sindsdien zijn er door de jaren heen verschillende kinderen geplaatst; er hebben steeds twee of drie kinderen gezeten.

Het meisje was gediagnosticeerd met PDD/NOS (een aan autisme verwante ontwikkelingsstoornis), een hechtingsstoornis, een lichte verstandelijke handicap en gedragsproblemen. Haar ouders hadden grote problemen met haar en de hulp die zij bij de opvoeding kregen, kon niet voorkomen dat er een crisis ontstond. De ouders konden het niet meer aan en meldden dat bij MEE. Die avond werd het meisje bij een vriendin van de ouders ondergebracht.

MEE plaatste het kind de volgende dag bij Novala. MEE had net die week een A-viertje ontvangen waarin Novala zich presenteerde als opvangmogelijkheid voor een paar kinderen. Liesbeth van den Hout had als onderwijzeres gewerkt bij de Inspecteur De Vriesschool in Den Haag; een maatschappelijk werker van MEE had goede ervaringen met die school. MEE vond dat voldoende informatie. MEE presenteerde Novala aan de ouders als een kleinschalige opvang in een rustige omgeving. Het meisje zou daar goed opgevangen kunnen worden.

De ouders belden die eerste dagen elke avond met hun dochter. Ze vroegen het kind hoe het met haar ging, of ze goed gegeten had enzovoorts. Maar daar maakte Petra snel een einde aan. Dat moesten de ouders niet doen, want zij ervaarden dat als ‘controle’. Voortaan mochten ze hooguit eens per week bellen.

Na een paar maanden werd de ouders geadviseerd de crisisopvang om te zetten in een langer durend verblijf. Novala zou dan betaald moeten worden uit een ‘persoonsgebonden budget’, een manier waarop de overheid wilde bevorderen dat mensen zelf hulp in kochten. De ouders van het meisje kwamen voor zo’n PGB in aanmerking, want Liesbeth en Petra van den Hout rapporteerden dat het meisje professionele behandeling en begeleiding nodig had. De ouders waren wel gevoelig voor het argument van de kleinschaligheid en gingen accoord. MEE hielp met de aanvraag voor het PGB.

Novala stelde een bezoekregeling vast: eens in de twee weken mochten de ouders gedurende anderhalf uur, op door Novala vastgestelde tijden, hun dochtertje bezoeken. Het meisje ging niet naar school: ze werd thuis ‘onderwezen’ door Liesbeth van den Hout. Als de ouders aan Petra of Liesbeth vroegen hoe het met het meisje ging, kregen ze niets anders te horen dan dat het wel goed ging, dat het een moeilijk meisje was maar dat zij wel wisten hoe ze haar moesten behandelen. De ouders kregen natuurlijk niets te horen over de band tussen Novala en het Michaëlsgenootschap.

In de eerste jaren waren er wel af en toe problemen. Zo hadden de ouders moeite met de bezoekregeling: anderhalf uur in de twee weken was wel erg weinig en de vader had onregelmatige werktijden: als hij op de bezoektijd moest werken, kon hij zijn dochter niet zien. Maar de ouders slikten zulke dingen om de goede vrede te bewaren. Maar er waren ook conflicten waarin ze voet bij stuk hielden. Het meisje kreeg een oproep om ingeënt worden in het kader van het rijksvaccinatieprogramma. Dat was helemaal niet nodig, zeiden Petra en Liesbeth. En Petra claimde deskundigheid: zij was immers verpleegster. De ouders stonden er op dat hun dochter toch ingeënt zou worden en haalden tenslotte het vaccin op bij hun huisarts, namen dat mee naar Kruisland en lieten het meisje daar bij een huisarts inenten.

Na twee jaar ging het meisje, inmiddels 12, wel naar school. Ze kwam terecht op een school voor speciaal onderwijs. Liesbeth en Petra namen de verantwoordelijkheid op zich voor de huiswerkbegeleiding en rapportbesprekingen. De ouders vroegen om een nieuw diagnostisch onderzoek, dat kwam er en bevestigde de eerdere diagnose en de onderzoekers zeiden bovendien dat opvang van het meisje in een grootschalige setting niet goed zou zijn.

Liesbeth en Petra weigerden een soepelere en ruimere bezoekregeling, en de ouders voelden hoe zij steeds minder goed contact met hun dochter hadden. Het meisje mocht niet met anderen praten over wat er in Novala gebeurde - dat zou de privacy van Liesbeth en Petra schenden. Maar af en toe vertelde ze toch dingen. Zo vertelde ze dat ze wel eens voor straf in de badkamer op een matras moest slapen. En als ze bij Liesbeth logeerde - Liesbeth woont niet aan de Markt in Kruisland en Petra ging wel eens weg - dan moest ze zich bij een teiltje in de gang wassen: ze mocht geen gebruik maken van de badkamer van Liesbeth. Petra en Liesbeth hadden vanaf het begin besloten dat het meisje, bij wijze van behandeling, zoveel mogelijk met haar handen bezig moest zijn. Het kind maakte schoon, kookte, verzorgde de moestuin, verzorgde de dieren van 'Boer Bertus', werkte mee aan de appeloogst van de zoon van Petra, en bakte brood. Als het brood mislukte, vertelde ze, moest ze dat zelf opeten.

Rond de jaarwisseling van 2006 en 2007 besloten de ouders dat er gewerkt moest gaan worden aan de terugkeer van hun dochter naar huis. Hun dochter was veertien, en de ouders verwachtten dat ze rond haar achttiende een vorm van begeleid zelfstandig wonen nodig zou hebben. Dan zou het beter zijn als ze in de buurt van haar ouders zou wonen, zodat zij haar konden helpen. En omdat hun dochter moeite had met grote veranderingen, zou ze tijd nodig hebben om weer aan de stad te wennen en er vrienden te maken. Ruim voor haar achttiende zou ze dus moeten terugkeren. De ouders onderzochten mogelijkheden om begeleiding te krijgen bij het opvoeden van hun dochter - die hadden ze beslist nodig. De rapporten die Petra en Liesbeth jaarlijks schreven voor de nieuwe aanvraag PGB, waren onveranderd 'slecht', dat wil zeggen dat ze schreven dat het meisje onveranderd veel gedragsproblemen had.

In het voorjaar van 2007 kwamen er steeds meer conflicten met Petra en Liesbeth. Het meisje was veertien en Petra en Liesbeth vertelden haar dat ze, als ze vijftien was, alcohol zou mogen drinken. Een breezertje zou ze vast wel lekker vinden. De ouders protesteerden - zonder succes. Het meisje had grote problemen met haar motoriek en was op de fiets op de landweggetjes in de buurt een gevaar voor zichzelf. Maar Liesbeth en Petra besloten dat het kind meer vrijheid nodig had en lieten haar in haar eentje lange afstanden fietsen. En hoewel ze uitdagend gedrag vertoonde naar jongens en mannen in haar omgeving maar zich niet zou kunnen verdedigen als ze in de problemen kwam, mocht ze ook 's avonds alleen over straat.

Het inschakelen van een consulente van MEE hielp niet. Petra en Liesbeth schilderden de ouders af als mensen die hun kind geen vrijheid gunden en MEE trapte daar in. In korte tijd wisten Petra en Liesbeth het meisje flink tegen haar ouders op te zetten. Het kind protesteerde ook bij de ouders dat zij haar 'als een kind' behandelden. Nu ook de relatie met hun dochter verslechterde, besloten de ouders haast te maken met haar terugkeer naar huis. De dag voordat hun dochter een zeldzaam weekend naar huis zou komen, vertelden ze Liesbeth en Petra dat het meisje aan het eind van de zomer, voor het nieuwe schooljaar begon, naar huis zou komen. Het was begin april, dus er zou ruim tijd zijn om het kind daar op voor te bereiden.

Maar daar kwam het niet van. Petra en Liesbeth hadden het kind op de hoogte gebracht voor haar ouders haar voor het weekend kwamen halen - later schreven ze zelf dat ze de boodschap aan dit licht verstandelijk gehandicapte, bijzonder beïnvloedbare meisje hadden gebracht als 'slecht nieuws'. Het kind weigerde voor het weekend mee te gaan. Een week later deden Liesbeth een melding bij het AMK, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. De ouders, stelden zij, belemmerden hun kind in haar vrije ontwikkeling. Als ze haar naar huis zouden halen, zou dat een bedreiging voor haar ontwikkeling vormen. Het AMK stuurde de melding door naar de Raad voor de Kinderbescherming, en de Raad is een onderzoek gestart.

Novala had nog een andere truc in voorraad. Als kinderen een conflict met hun ouders hebben, kunnen ze niet naar de rechter stappen - voor de rechter kunnen alleen hun wettelijk vertegenwoordigers, meestal dus hun ouders, voor hun optreden. Nu kan het gebeuren dat er serieuze problemen zjn tussen een kind en zijn ouders - bijvoorbeeld over erfeniskwesties, of als een kind zijn schoolopleiding wil afmaken maar dat van de ouders niet mag. In zo'n geval kan het kind de rechter om een bijzonder curator vragen. Die kan dan bemiddelen tussen ouders en kind en desnoods naar de rechter stappen. De rechter benoemt zo'n bijzonder curator uit een lijst van plaatselijke advocaten, die speciaal voor deze functie zijn opgeleid. Novala had een eigen advocaat, mr. P.J. de Bruin - bekend van alle rechtszaken tegen J.P. de Kok en trawanten, en niet in de laatste plaats van de Honki Ponkaffaire.

Novala stapte - namens het meisje - naar de rechter met het verzoek om De Bruin te benoemen als bijzonder curator. De ouders kregen van MEE te horen dat er 'een' bijzonder curator benoemd zou worden en dat deze zou gan bemiddelen in het conflict. Intussen werd het meisje in Novala zo gek gemaakt dat ze haar ouders liet weten geen contact met hen te willen hebben. En ook de school liet weten dat het beter was als het kind in Novala zou blijven zodat ze op de har bekende school kon blijven. De MEE-consulente weigerde te helpen zoeken naar een andere, geschikte instelling in de buurt van de school. En Liesbeth en Petra van den Hout weigerden elk contact met de ouders.

Vlak voor de zitting om de benoeming van De Bruin kreeg een van de ouders een verkeersongeluk en kon zich niet verplaatsen. De ouders besloten een brief te sturen naar de rechter, waarin ze toestemming gaven voor de benoeming van 'een' bijzonder bijzonder curator. Zij verwachtten dat een advocaat wel zou inzien dat wat er in Novala gebeurde niet goed was voor het kind, en op zoek zou gaan naar betere opvang. Ze dachten - ze hadden toen nog geen enkele juridische bijstand - dat het zou helpen als zij hun ouderlijke macht opgaven: dan zou de bijzonder curator meer gezag hebben tegenover Novala. Dat schreven ze dan ook aan de rechter. En de rechter benoemde De Bruin.

In de zomer zochten de ouders naar mogelijkheden om een klacht in te dienen tegen Novala. Novala is bij geen enkele onafhankelijke klachtenregeling aangesloten - hoe kan het ook anders? De ouders konden een klacht indienen bij het bestuur van Novala, en dat bestaat uit.... Petra en Liesbeth van den Hout. De ouders probeerden het bij de Inspecteur voor de Volksgezondheid. Deze antwoordde dat hij, gezien de statuten van Novala waarin geen melding wordt gemaakt van activiteiten op het gebied van de volksgezondheid, geen controlebevoegdheid had. Hij stuurde de statuten mee.

In die statuten lazen de ouders dat Novala samenwerkte met het Michaëlsgenootschap. Ze probeerden op internet iets te vinden over het Michaëlsgenootschap, en kwamen zo op deze site. Toen begonnen ze iets te begrijpen van wat hen overkomen was. Ze vonden via de site iemand die juridisch advies kon geven.

We waren net te laat om beroep aan te tekenen tegen de benoeming van De Bruin als bijzonder curator van hun dochter. Maar we waren wel op tijd om het gesprek met de onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming goed voor te bereiden. Pas in oktober 2007 kwam deze onderzoeker van de Raad bij de ouders op bezoek. De ouders konden goed hun verhaal vertellen en bewijzen overleggen over de band tussen Novala en het Michaëlsgenootschap, en over de handel en wandel van De Kok, De Bruin en co. Het raadsonderzoek was half december afgerond en er kwam een conceptadvies. De ouders, het kind, de bijzonder curator en Novala kregen een week de tijd om te reageren. De Raad zou daarna bij de kinderrechter verzoeken om ondertoezichtstelling - omdat de relatie tussen ouders en kind inmiddels flink verstoord was - en uit huis plaatsing uit Novala.

Ondertussen was De Bruin aan het werk gegaan. De ouders hadden in april al aan Novala meegedeeld dat het jaarlijkse zorgcontract dit jaar in september niet verlengd zou worden, en de betalingen stopten dus ook. Novala ontving tot dan toe een bedrag van ruim € 3.200 per maand voor de opvang van dit kind. Toen deze inkomsten niet meer binnenkwamen, ging De Bruin, in naam van het meisje, procederen. Bijna een half jaar lang heeft hij de ene na de andere procedure aangespannen om het, inmiddels met meer dan 10 % verhoogde, bedrag af te dwingen - in naam van het meisje. De ouders hadden inmiddels een goede advocaat gevonden en De Bruin beet keer op keer in het stof. Die procedures hebben echter de relatie tussen het kind en de ouders niet verbeterd.

De kinderrechter benoemde bij de eerste zitting op het verzoekschrift van de Raad, direct een gezinsvoogd. Zij vond een tweede zitting voor de meervoudige kamer nodig voor de beslissing over de uithuisplaatsing - die toestand met het Michaëlsgenootschap moest goed bekeken worden. Een maand later sprak deze meervoudige kamer de uit huis plaatsing uit Novala uit. En weer drie maanden later kon het meisje in een kleinschalig AWBZ-gefinancierd tehuis worden geplaatst. Samen met dat tehuis en de gezinsvoogd wordt nu hard gewerkt aan herstel van de relatie met de ouders.

Voor zover we weten, verblijven er nog steeds twee kinderen in Novala - allebei geplaatst door MEE. MEE vindt het niet nodig die kinderen daar weg te halen, of zelfs maar de ouders in te lichten over de band tussen Novala en het Michaëlsgenootschap. Maar er wordt aan gewerkt...