Verhoor getuige A.A.F. Baas (longarts)

Op woensdag 13 juni 1990, te 11.15 uur,

hoorden wij , verbalisanten, als getuige:

Antonius Aalbert Franciscus BAAS,

geboren te Djakarta op 26 mei 1953, van beroep longarts, domicilie kiezende Rivierenlandziekenhuis,

President Kennedylaan 1 te Tiel, die verklaarde:

"Op vrijdag 20 april 1990, omstreeks 09.45 uur, werd ik in het ziekenhuis gebeld door mijn collega Dr. Bleeker in verband met het feit dat ‘s morgens vroeg een vrouw was opgenomen, die zeer ernstig ziek was en waarvan de problemen zich o,a. In de longen afspeelden. Ik heb toen de foto bekeken en aan de hand daarvan heb ik toen op de Intensive Care een plaats voor haar laten vrijmaken.

Diezelfde dag omstreeks 11.00 uur heb ik mevr. Reuchlin voor het eerst ontmoet en onderzocht. Ik zag toen een doodzieke vrouw, die niet in staat was om adequaat antwoord te geven. Ze maakte een wat omnevelde indruk (zoals gezien bij zeer ernstige infecties). Zij verkeerde duidelijk in ademnood. Een en ander heb ik beoordeeld aan de hand van het klinisch beeld, de aanwezige cyanose, de hoge ademfrequentie en het fysisch diagnostisch onderzoek van hart en longen. De laboratorium uitslagen (o.a. bloedgassen) onderstreepten de zeer ernstige situatie.

Ik was er op dat moment van overtuigd dat de vrouw zou sterven. Dit neemt niet weg dat ik uiteraard onmiddellijk alle medisch technische maatregelen heb genomen, die een dergelijk ziektebeeld vragen.

Mevrouw is onmiddellijk naar de Intensive Care afdeling overgeplaatst. Dit alles heeft in principe vanaf 10.00 uur tot 11.00 uur ongeveer geduurd, aangezien, zoals ik al zei. daar een plaats moest worden vrijgemaakt. Dit heeft tot gevolg dat alles moest worden gedesinfecteerd.

Bij mijn eerste diagnose was ik zeer geschokt en verontwaardigd over het feit dat men zo lang heeft gewacht met een dergelijk ziek iemand te laten opnemen in het ziekenhuis. Een ieder die haar in de periode voorafgaande aan de opname gezien heeft zou toch de conclusie hebben moeten trekken dat ziekenhuisopname de enige redding voor deze vrouw was. Hier was duidelijk een grens overschreden.

Alsa deze vrouw op tijd met antibiotica was behandeld, had opname waarschijnlijk achterwege kunnen blijven. Zij heeft voor haar opname echter nooit de behandeling gehad, die voor dit soort ziekte nodig in.

Wij hebben de vrouw langdurig met 100% zuurstof moeton beademen onder een druk die hoger is dan gebruikelijk. De overdruk en de 100% zuurstof geeft gevaar voor longbeschadiging. Haar situatie was dermate kritiek dat wij op dit punt niet anders konden. Wij hadden geen keus. Het klinisch beeld verslechterde op zaterdag 11 april 1990 en zondag 22 april 1990, ondanks de optimale behandeling. Op maandag leek een stabilisatie of verbetering op te treden. Een en ander werd beoordeeld aan de hand van foto’s die dagelijks van haar longen werden gemaakt en in het begin zelfs een paar keer per dag.

Na maandag trad er weer een verslechtering op. Op vrijdag 27 april 1990, was de situatie dermate verslechterd, dat wij met het gehele team tot de conclusie kwamen dat er iets moest gebeuren wilde het niet fout aflopen.

Ik heb toen overleg gepleegd met Dr. J. FESTEN, longarts in het Radboutziekenhuis te Nijmegen, hij is mijns inziens de meest deskundige longarts in de regio, om hem te vragen hoe hij ons voorstel om prednison te geven vond en of hij nog andere suggesties had.

Hij was van mening dat er geen andere mogelijkheid was dan het proberen met prednison.

Tevens concludeerde hij op grond van de aan hem door mij telefonisch verstrekte gegevens, dat de prognose van de vrouw zeer slecht was.

Wij hebben het risico genomen en een zeer hoge dosering gegeven. Daarna is er een verbetering opgetreden. Er kon zaterdag worden gesproken van stabilisatie en zondag werd de verbetering zichtbaar. In de periode erna is heel langzaam verbetering opgetreden.

Ik hoor van U dat Dr. de Vos een uitgebreid medisch verslag zal maken ten behoeve van het onderzoek. Ik ben bereid hier aan mee te werken.

Tot de datum van ontslag, donderdag 7 juni 1990 ben ik steeds bij de behandeling van mevr. Reuchlin betrokken geweest. De avond voor haar ontslag heb ik mevr. Reuchlin nog onderzocht.

Op het moment van ontslag waren nog restafwijkingen in de longen aanwezig. In hoeverre of hier kan worden gesproken van blijvend organisch letsel.c.q. invaliditeit moet ik verklaren dat een conclusie nu nog niet kan worden getrokken. Dit zal mijns inziens pas eind 1990 kunnen worden bepaald.

Gezien de emotionele traumata die bij dergelijk ziek zijn optreden vraag ik mij af in hoeverre wij ook in dit opzicht niet bedacht moeten zijn op restschaden."

Voorgelezen, volhard en in concept ondertekend.