Verhoor getuige E.C.J. GREMMEN (wijkziekenverzorgend)

Op maandag 11 juni 1990 te 14.45 uur hoorden wij, verbalisanten een vrouw, die door mij, verbalisant Westra naar haar naam gevraagd opgaf te zijn genaamd:
Engelina Catherina Josephina GREMMEN,
geboren 14 maart 1957 te Horssen, wonende Heemradenstraat 34 te Druten.
Zij verklaarde: ‘Ik ben wijkziekenverzorgster in dienst van de Districtskruisvereniging Zuid-Gelderland.
Op donderdag 19 april 1990 werd ik telefonisch benaderd door dhr. Reuchlin, wonende Oude Maasdijk 1 te Dreumel, met het verzoek hulp te verlenen bij de verzorging van zijn zieke vrouw.
Omstreeks 15.40 uur heb ik mij gemeld bij het gezin. Dhr. Reuchlin vroeg of ik eerst het slagveld wilde bekijken. Ik heb gezegd dat ik eerst kennis wilde maken met zijn vrouw. Op het moment dat ik daar thuis bij de familie Reuchlin kwam, waren er nog twee mensen aanwezig namelijk, een zus van dhr. Reuchlin en een man die zich voorstelde als de Kok. Die vertelde mij dat hij mevr. Reuchlin behandelde. Mevr. Reuchlin, die in de slaapkamer in een tweepersoonsbed lag, reageerde op mijn komst vragend (met haar ogen), althans zo ervoer ik dat. Ik heb aan haar verteld wie ik was en wat ik kwam doen. Zij voelde zeer warm aan en had een hoog rode kleur. Aanvankelijk dacht ik dat dit kwam vanwege de gordijnen die dicht waren. De zus van dhr. Reuchlin trachtte haar wat te laten drinken. Ik heb niet gezien of dit ging. Vervolgens vroeg ik aan dhr. Reuchlin waar wij het gesprek zouden vervolgen. Hij stelde voor om dat beneden te doen. Dhr. de Kok volgde ons. Dhr. Reuchlin vroeg mij wat ik wilde drinken. Zelf, hij en dhr. de Kok dronken een glas wijn, omdat er een ommekeer in het ziektebeeld waarneembaar was, dit ten positieve. Ik vroeg aan dhr. de Kok hoelang mevr. Reuchlin ziek was en of hij mij kon vertellen wat zij mankeerde. Hij vertelde mij dat hij mevr. Reuchlin behandelde als homeopaat. Hij vroeg of ik daarmee bekend was. Ik deelde hem mede dat dit, althans wat mijn werk voor de kruisvereniging betreft, niet het geval was. Hij vertelde verder, dat zij 9 dagen hiervoor was ziek geworden. Na een bezoek aan hem is via de telefoon een behandeling vastgesteld.
Hij was op woensdag 18 april in Dreumel, bij de familie Reuchlin aangekomen, om de behandeling thuis voort te zetten. Hij behandelde haar, zo zei hij voor midden-oorontsteking. Terwijl dhr. de Kok weer naar mevr. Reuchlin ging, kwam de zus van dhr. Reuchlin naar beneden. Op dat moment kwam Iet de Bruyn van de gezinszorg binnen. Ik stelde haar voor even kennis met mevr. Reuchlin te maken. Ook tegen haar zei dhr. Reuchlin of ze het slagveld in ogenschouw wilde nemen. Ik ben niet met haar mee gegaan. Ik bleef achter met de zus van dhr. Reuchlin, die mij vertelde ook verpleegkundige te zijn geweest. Zij had grote moeite met de situatie, daar zij mevrouw zo idealistisch vond. Ze maakte zich erge zorgen over de gehele situatie en vroeg zich af of haar broer het allemaal wel aan kon.
Inmiddels kwam Iet met dhr. Reuchlin weer beneden. Ik opende het gesprek en zei tegen dhr. Reuchlin dat zijn vrouw niet veel "bij te zetten” had en dat de kennelijk hoge koorts veel van haar vergde. Hij stond op en pakte, zo bleek even later, een fotoalbum. Hij liet ons een foto van zijn vrouw en hun twee kinderen zien van het laatste carnaval in februari dit jaar. Voor mij was de vrouw afgebeeld op die foto niet gelijkend aan die boven in bed lag. Nadat Iet de foto had gezien zei ze tegen dhr. Reuchlin: "Het is misschien een rare vraag, maar hoever kun je gaan en waar is de grens”? Er werd ons te kennen gegeven dat dit een keuze was tussen Marie José en dhr. de Kok. Verder vertelde hij ons dat er op 1e of 2e Paasdag een ambulance was geweest en dat mevr. zich verzet had om mee te gaan, zodat een opname niet mogelijk was. Dhr. Reuchlin vertelde dat zijn vrouw zelf haar grenzen wist aan te geven. Verder zijn aan hem de taakverdeling van het Kruis-
werk en de Gezinszorg uitgelegd, alsmede welke werkzaamheden wel en welke niet zouden worden gedaan. Samengevat kwam het er wat mijn werkzaamheden betreft op neer dat alleen mevrouw zou worden verzorgd.Voorts werden nog wat afspraken voor het weekend gemaakt. Verder hebben we nog gesproken over het toedienen van medicijnen. Dat moest op een speciale wijze gebeuren, schudden enzovoort. Dhr. Reuchlin zou de medicijnen klaar zetten voor de gehele dag. Dhr. de Kok zei dat als ze zieker zou worden en ze net als die morgen weer een aanval van delirium zou krijgen er contact met hem opgenomen moest worden, zodat hij de medicatie bij kon stellen. Hierna ontstond een discussie tussen dhr. Reuchlin en dhr. de Kok wie het eerst gebeld moest worden bij verandering. Dhr. de Kok bepaalde dat hij eerst en daarna dhr. Reuchlin gebeld moest worden. Ik kwam terug op de vraag, wat is delirium in deze situatie. Dhr. de Kok vertelde dat ze die morgen uit bed gekomen was en op het trapje was gaan zitten. Wederom stelde ik de vraag, hoe te kunnen bepalen wanneer dit een aanval van delirium is of wat anders. Als antwoord kregen we dat Marie José zelf wel aangeeft wat er is en wat ze kan. Kortweg gezegd: Als ze kan lopen, moet je haar laten lopen. Dhr. de Kok ging weer even weg en wij, Iet en ik hebben nog even over de hulpafstemming gesproken. Vervolgens ben ik weer even naar mevr. Reuchlin gegaan. Zij was helemaal niet aanspreekbaar. Ik ben op de rand van het bed gaan zitten en sprak met haar over onze afspraken. Ik kreeg totaal geen reactie. Haar ogen staarden wazig in de richting van het raam. Zij voelde zeer warm aan. Haar ademhaling was opmerkelijk snel en oppervlakkig. Ik vroeg aan de zus van dhr. Reuchlin of ze sliep. Die antwoordde dat dit vermoedelijk van de medicijnen kwam en dat daar waarschijnlijk drugs in zaten. Dhr. de Kok was inmiddels terug gekomen en Iet en ik verlieten de woning van de Reuchlins. Iet en ik besloten nog even te evalueren. Voordat wij het kantoortje binnen gingen, zeiden wij ongeveer tegelijkertijd: "Die vrouw gaat dood." Ik besloot mijn directleidinggevende, Cristianne Vullings te bellen. Ik vertelde omtrent mijn gevoelens van onrust over de gezondheidstoestand van mevr. Reuchlin, alsmede over de problemen van het toedienen van medicijnen en de samenwerking van en met dhr. de Kok. Nadat ik aan haar alles had verteld, gaf zij mij het advies, terug te gaan naar de fam. Reuchlin. Ik zou hen adviseren een reguliere arts, dan wel een homeopathische arts te laten komen. De volgende morgen zou ik alleen lichamelijk verzorging doen en daarna direct weer contact opnemen met Christianne Vullings.
Omstreeks 18.30 uur diezelfde dag ging ik terug naar de fam. Reuchlin. Tegen dhr. Reuchlin zei ik dat ik mij ernstig zorgen maakte over de slechte gezondheidstoestand van zijn vrouw. Ik zei hem onder vier ogen te willen spreken en dat ik eerst nog zijn vrouw wilde zien. Dit om mijn vermoedens te bevestigen. Haar toestand leek mij nog slechter dan 1 1/2 uur tevoren. Ik ben met dhr. Reuchlin apart gaan zitten in een grote voorkamer. Ik zei letterlijk tegen hem, dat ik zijn vrouw zo ziek vond, dat ik indien hij katholiek zou zijn, hem zou adviseren de pastoor te laten komen. Vervolgens heb ik hen geadviseerd om een consult in te roepen van een reguliere arts, dan wel een homeopathische arts. Ook heb ik hem gezegd de homeopathische denkwijzen te respecteren, maar wel dat ik mij afvroeg waar de grenzen waren. Dhr. Reuchlin dacht dat dhr. de Kok de behandeling niet wilde staken, omdat hij les gaf in de homeopathie en zodoende geen bakzeil wilde halen. Hij zei dat Marie José altijd duidelijk wist wat ze wou en dat hij het moeilijk vond voor haar een keuze te maken. Ik heb toen tegen hem gezegd dat Marie José volgens mij op dit moment niet meer in staat moet worden geacht zelf nog een keuze te maken. Ik heb hem kenbaar gemaakt dat er soms keuzes gemaakt moeten worden. Hij vertelde mij dat zijn zus en de zus van Marie José bezig waren met dhr. de Kok te praten, omdat zij vonden dat de Kok een fanaticus was. Hij vroeg mij of ik mijn visie ook aan de Kok wilde overbrengen. Ik heb daarin toegestemd. Dhr. Reuchlin en ik zaten, terwijl dhr. de Kok bleef staan. Ik vertelde hem waarom ik was terug gekomen. Dat ik de situatie beoordeelde vanuit mijn functie en dat ik jarenlange ervaring in de verpleging en wijkverpleging had. Ik beoordeel vanuit mijn deskundigheid, door alleen maar te kijken. Ik doelde daarbij ook op de totaal situatie, te weten de man en twee kinderen. Dhr. de Kok zei dat hij daar alleen maar was voor mevr. Reuchlin en dat indien een andere arts geconsulteerd zou worden, die toch een opname zou willen. Ik zei toen tegen hem: “Dat zegt u en niet die andere arts." Hij zei: "Dat zie je toch". Wederom zei ik tegen hem:”Dat zegt u en niet die andere arts." Hierna is deze woordenwisseling nog een keer herhaald.
Dhr. Reuchlin vroeg vervolgens aan dhr. de Kok: "Peter wil je je grenzen met 10% tolerantie naar beneden leggen. Ik smeek het je. Als deze mevrouw (hij bedoelde mij) terug komt en zo duidelijk aangeeft hoe zij het ziet, smeek ik het je."
Dhr. de Kok heeft hierop niets geantwoord en ging weg.
Ik heb dhr. Reuchlin aangegeven dat hij verantwoordelijk was voor z’n vrouw. Hij was onzeker over het zorg afnemen van dhr. de Kok ten opzichte van zijn vrouw en zei ”Ik kan hem toch niet buiten zetten."
Ik heb tegen hem gezegd dat hij de enige was die daarover mocht beslissen en dat ik vanuit mijn functie alleen kon adviseren. Ik heb hem sterkte toegewenst en gevraagd zijn vrouw niet te verlaten nu zij zo ziek was. Ik zou de volgende dag terug komen voor lichamelijke verzorging en niet voor het toedienen van medicijnen, omdat ik na overleg met mijn directleidinggevenden mij daartoe niet competent achtte, daar die medicatie niet werd gegeven op advies van een arts.

Ik heb dhr. Reuchlin verzocht nog even afscheid te mogen nemen van zijn vrouw. Ik had zeer met haar te doen. Wat mij opviel was dat zij met haar handen zocht (het zgn. plukken). Dit was voor mij mede een indicatie dat zij in de terminale fase was. Dhr. Reuchlin was mij zeer dankbaar voor mijn adviezen en bezoek.
Nadat ik thuis was gekomen heb ik eerst weer gebeld met Christianne Vullings en Iet. Ik kon het niet van mij afzetten dat men, in dit geval. dhr. de Kok, mevr. Reuchlin, niet adviseerde zich te laten opnemen. Hij immers had vanuit zijn geschapen machtspositie dit te doen. Ik betrapte mij erop ook onder de indruk te zijn van het gedrag van dhr. de Kok. Een gedrag wat zo typerend sterk overheersend dat ik dit beeld, de gehele situatie, mevr. Reuchlin en dhr. de Kok steeds voor me zag. Ik was verstrengeld in een soort machteloosheid, boosheid en verdriet niet meer te kunnen doen. Dit verbaasde mij ook, omdat ik in mijn functie van wijkziekenverzorgende en daarvoor als ziekenverzorgenden toch door de loop der tijd wel het een ander heb meegemaakt.
Nu achteraf verwondert het mij nog steeds dat men, dhr. de Kok nog zo lang, tot de volgende ochtend 03.30 uur heeft gewacht, voordat men mevr. Reuchlin heeft laten opnemen.
Na voorlezing en volharding ondertekende getuige deze verklaring in concept.