Verhoor getuige H.J.W. PULLES (orthopedisch chirurg)


op dinsdag 12 juni 1990, te 09.50 uur, hoorden wij, verbalisanten Schollema, van der Geesen Westra. zulks in bijzijn van I.M. Schicht, artsgeneeskundiginspecteur van de Volksgezondheid voor Zuid-Holland, als getuige

Hubertus Johannes Werner PULLES,

Geboren te Eindhoven op 12 juli 1939, van beroep orthopedisch chirurg, domicilie kiezende Rivierenlandziekenhuis, President Kennedylaan 1 te Tiel, die verklaarde:

"Ik ben een studievriend en clubgenoot van George Reuchlin. Wij kennen elkaar al vanaf 1957 en zijn echtgenote Marie José ken ik ook al vele jaren.

Op zaterdag 14 april 1990, omstreeks 18.00 a 19.00 uur, werd ik thuis gebeld door George. Hij vertelde dat zijn vrouw ernstig ziek was en dat hij zich daar mateloos zorgen over maakte. Ik heb gepoogd van hem informatie te krijgen, teneinde te kunnen nagaan wat er aan de hand zou zijn. Hij vertelde mij dat zijn vrouw al een week koorts had boven de 40 graden, dat beide oren spontaan waren doorgebroken en dat zij krachteloos hoestte. Ik vroeg of zij hoofdpijn had en of zij redelijk georiënteerd was om een hersenvliesontsteking uit te sluiten c.q. minder waarschijnlijk te maken. Hij zei dat zijn vrouw goed georiënteerd was en geen hoofdpijn had. Ik concludeerde uit het gesprek dat de waarschijnlijkheidsdiagnose longontsteking of beginnende longontsteking was.

Ik heb mijn verbazing uitgesproken dat het zover kon komen. Vervolgens kwam de homeopathie ter sprake, alsmede de figuur van Peter de Kok. Het was mij bekend dat Marie José een cursus volgde op bet gebied van de homeopathie. Ik wist niet dat zij die cursus bij Peter de Kok volgde. Ik had voor de bewuste zaterdagavond nog nooit van die man gehoord. Vervolgens vroeg.ik aan George of het nodig was dat ik direct kwam. Hij zei dat hij zich weliswaar zorgen maakte, doch zijn vrouw het afwees dat ik naar haar zou kijken. Zij wilde dat niet, op grond van haar volledig afwijzen van de allopathie, Wij hebben toen een constructie bedacht in verband met het feit dat George zich ook niet goed voelde. Wij spraken af dat ik de volgende ochtend zou komen en dat ik hem op demonstratieve wijze, In bet bijzijn van Marie José, zou onderzoeken, hopende dat zij hierop zou reageren, door zichzelf eveneens door mij te laten onderzoeken.

Op zondag 15 april 1990, 1e Paasdag, omstreeks 09.30 uur ben ik naar Dreumel gereden.

Toen ik bij George aankwam en nog in de huiskamer was, hoorde ik vanuit de slaapkamer krachteloos hoesten en een wat ijlend gepraat van Marie José. Je kon toen al horen dat zij zelf niets hoorde, want zij sprak vrij hard. George en ik zijn naar de slaapkamer gegaan en in bet bijzijn van Marie José heb ik hem onderzocht. Ik wil eerst nog opmerken dat ik mij bij binnenkomst in de slaapkamer wezenloos schrok bij het zien van Marie José. Alleen haar hoofd stak boven de lakens uit, doch zij zag er vreselijk uit. Ze had holle ogen, ingevallen wangen, een facius pulmonum. Dat is het typische gezicht van mensen die vroeger dood gingen aan longontsteking.

Nadat ik George met de stethoscoop had onderzocht, zei Marie José uit zichzelf: "Luister bij mij ook maar". Vervolgens heb ik Marie José onderzocht. Er was geen nekstijfheid, dus geen hersenvliesprikkeling. Zij voelde enorm koortsig aan. De pols was nauwelijks te voelen. De huid was warm. Ze was zwaar ziek. De auscultatie van de longen leverde fijne crepitatie ronchi op, geen demping en geen wrijven. Beeld passend bij een longontsteking, rechts meer dan links, omdat de rhonchi rechts meer dan links waren (Fijn crepiterende rhonchi is medisch geaccepteerd als verschijnsel, diagnosemiddel voor longontsteking). Er was geen afwijking in de buik te vinden.

Bij het beluisteren van het hart: snelle regelmatige hartactie, passend bij koorts. Bij het spreken met haar moest ik hard praten, omdat zij stokdoof was. Ik zag dat er groen pus op haar kussen zat, duidelijk afkomstig uit een of beide oren.

Ik maakte Marie José duidelijk dat zij eigenlijk diende te worden opgenomen in een ziekenhuis, maar in ieder geval antibiotica moest hebben. Dit werd door haar zeer bewust afgewezen. Ik merk hierbij op dat Marie José, ondanks dat zij even te voren lag te ijlen, op dat moment zeer goed bij haar positieven was en mijn advies zeer bewust en kordaat afwees. Ik ken Marie José zo goed dat ik weet dat zij dan ook niet van haar standpunt is af te brengen. Als Marie José op dat moment niet zo duidelijk de indruk had gemaakt, haar wil kenbaar te maken, had ik zeker tot opname beslist. Wat Marie José betreft ben ik toen onverrichter zake huiswaarts gekeerd. Ik heb met George afgesproken dat hij mij zou waarschuwen als er iets zou veranderen.

Op dinsdag 17 april 1990 werd ik ‘s morgens omstreeks 06.30 of 07.00 uur door George thuis, opgebeld. Hij zei tegen mij: "Zij gaat, dood." Ze was voor hem nauwelijks meer aanspreekbaar. Ze had ook do laatste 24 uur nauwelijks meer iets van vocht of voedsel tot zich genomen. Mijn conclusie was, dat er ingegrepen moest worden. Ik zei tegen hem dat ik een ambulance zou laten komen. Ik heb dit terstond geregeld. Ik ben daarna naar het ziekenhuis gegaan. Voordat ik met mijn eigen werkzaamheden ben begonnen heb ik Dr.Bleeker, internist, en Dr. Both, keel-, neus-, en oorarts,, gewaarschuwd en op de hoogte gebracht.

Gezien het gesprek dat ik met George had gehad, had ik de indruk dat Marie José dusdanig verzwakt was, dat zij haar weerstand tegen de opname had opgegeven. Ongeveer een uur later werd ik door George opgebeld met de mededeling dat Marie José pertinent weigerde met de ambulance mee te gaan. De broeders van de ambulance waren op dat moment in zijn woning en op de achtergrond hoorde ik Marie José kijven.Ik hoorde haar scheldende stem, doch kon een en ander niet verstaan. Ik heb toen een van de broeders aan de telefoon gehad. die mij mededeelde dat de vrouw volstrekt helder was in haar afwijzing en dat ze haar op deze wijze niet konden meenemen. Ik heb het telefoongesprek toen met George, die ten einde raad was, beëindigd en hem gozegd dat wij op dat moment machteloos waren en dat hij mij op de hoogte moest houden. Ik merk hierbij nog op dat George op 1e Paasdag en ook tijdens het telefoongesprek van dinsdagmorgen tegen mij heeft gezegd: "Er is er hier maar een die haar kan bewegen om iets te doen en dat is Peter de Kok." Na het telefoongesprek heb ik met een aantal collega’s, waaronder de psychiater van het ziekenhuis en de gemeentearts, overlegd welke wegen nog open stonden om Marie José gedwongen te doen opnemen. Uit deze consultatie begreep ik dat er geen mogelijkheden waren in deze situatie. Teneinde George niet extra te belasten heb ik de daarop volgende periode bewust niet naar hem gebeld, alhoewel mij dat wel moeite kostte.

In de nacht van donderdag 19 april 1990 op vrijdag 20 april 1990, naar ik meen omstreeks 04.00 uur, werd ik thuis opgebeld door George. Hij vertelde dat zowel Peter de Kok als een arts genaamd Olaf Janssen, die donderdagavond bij hem waren gekomen en de gehele nacht waren gebleven. Hij maakte mij duidelijk dat de toestand met Marie José volstrekt wanhopig was en dat ze de gehele nacht nog allerlei middelen hadden geprobeerd. Hierna maakte hij mij duidelijk dat Peter de Kok mij wenste te spreken. Ik weet niet of dat initiatief van George of van Peter de Kok uitging. Hierna kreeg ik Peter de Kok aan de telefoon. Hij meldde dat de toestand slecht was. Ik zei hem dat de toestand de gehele week al slecht was. Hij meende dat er toch wel een specialist naar moest kijken en vroeg mij of ik kon organiseren dat er een longarts langs kwam. ik vroeg hem vervolgens of hij wel goed bij zijn hoofd was of gebruikte woorden van gelijke strekking. Ik maakte hem duidelijk dat alleen een acute opname misschien nog redding kon brengen.

De Kok stemde daarin toe. Hij zou met Marie José praten. De beslissing werd op dat moment dus heel duidelijk door hem genomen. Wat mij al lang duidelijk was is dat George in deze geen enkele inbreng had en daar ook niet toe in staat was. De enige die Marie José op andere gedachten kon brengen was Peter de Kok. Mijn indruk is dat Peter de Kok ten aanzien van Marie José het roer volledig in handen had. Ik had daar met George al eerder over gesproken,, waarbij ook haar verantwoordelijkheid ten opzichte van haar kinderen ter sprake kwam. Hierbij bleek mij dat de adviezen van Peter de Kok, aangevuld met het blinde vertrouwen van Marie José in hem. zwaarder wogen dan wat ook.

Nadat dan ook door de Kok de beslissing was genomen tot opname heb ik zo spoedig mogelijk een ambulance geregeld. De Kok zou onderwijl met Marie José praten en was er kennelijk van overtuigd, dat hij haar zou kunnen bewegen tot opname. Toen ik zei: "Dan zal ik een ambulance regelen," was zijn antwoord: "Dan praat ik wel met Marie José". Hij zei dit echt in de trant van:"Dat regel ik wel even."

Vervolgens ben ik direct naar het ziekenhuis gegaan en heb alles geregeld. Toen Marie José arriveerde stond een heel.team klaar om haar te behandelen. Peter de Kok en Olaf Janssen waren toen aanwezig.

Tijdens een gesprek dat Olaf Janssen had met de dienstdoende arts-assistent zijnde een studiegenoot van hem uit Utrecht, hoorde ik dat Olaf Janssen zei: "Dat wordt puinruimen voor jullie". Deze arts-assistent is genaamd David Opstelten.

Toen Marie José arriveerde heb ik in eerste instantie de leiding van de opname op mij genomen en toen er na ongeveer een kwartier Dr. Bleeker, zijnde internist, arriveerde heb ik de behandeling van Marie José aan hem overgedragen. Toen Marie José arriveerde kreeg ik het gevoel dat zij stervende was.

Ik concludeer thans dat de rechterlong van Marie José op Paaszondag nog ventileerde, terwijl dat naar mijn inzicht op het moment van opname niet meer het geval was, getuige het onderzoek bij opname.

Mijns inziens is er aan de longen schade ontstaan die bij eerder opvolgen van mijn advies tot opname, c.q. antibiotische behandeling niet ontstaan zou zijn. Gezien mijn ervaring heb ik de indruk dat wanneer Marie José vanaf Paaszondag de aangewezen "allopathische" therapie had ontvangen, zij met een week of twee weer redelijk hersteld zou zijn geweest."


Voorgelezen, volhard en concept ondertekend.